maandag 14 februari 2011

BELGIE, STAKINGSPARADIJS.

De Post (bPost) staakt.
De post is afgelopen nacht niet in de postkantoren geraakt. Woensdagavond brak er een spontane staking uit aan het postsorteercentrum Antwerpen X aan de Noorderlaan. Daar wordt de post voor Limburg en Antwerpen gesorteerd. En ook Gent X sloot zich nadien bij de actie aan. De meeste brievenbussen bleven vrijdag leeg.
Volgens de christelijke vakbond ACV heeft 90 procent van de werknemers tijdens de nacht van donderdag op vrijdag het werk neergelegd. "De staking is nu al een succes", luidt het. De vakbonden bij BPost riepen op tot een algemene staking uit protest tegen het strategische plan van BPost, dat een herziening inhoudt van de organisatie van de brieven- en pakjespost. Voor zover het krantenbericht.
Uitgerekend dus op de laatste werkdag moeten we onze correspondentie ontberen. Het wachten op belangrijke stukken zal dus drie dagen in beslag nemen, of meer, want de postbode moet nu een dubbele lading rondbrengen. Waarvoor eigenlijk? Omdat BPost wil moderniseren? Omdat de pakjespost, die tussen haakjes verlieslijdend is, zal worden gereorganiseerd? Wat hebben u en ik ermee te maken?
De Post blijft de grootste werkgever van het land. Dat blijkt uit de jaarlijkse Trends Top 30.000, die het gelijknamige weekblad publiceert. Met 33.775 werknemers is De Post bijna dubbel zo groot als eerste opvolger Fortis, die in 2006 19.949 mensen aan het werk had. De NMBS staat op een derde plaats (18.439), voor Belgacom (13.675) en Delhaize (13.079). Carrefour (12.117), ING (10.924), Colruyt (10.445), KBC (10.230) en Electrabel (8.246) maken de top tien vol.
Maar hoe lang blijft die toppositie nog? De brievenbedeling staat op een wegkruising en een keerpunt. Door het internet is een massa persoonlijke correspondentie uit de postbussen verdwenen waardoor meer jobs verloren gaan of vervangen worde door tijdelijk personeel. Elektronische bedeling begint stilaan door te dringen. Het zal een flinke knauw in het postbudget betekenen, als de digitale zakelijke post gestandaardiseerd zal zijn. Het postbestuur zelf kan je niet van oogkleppen beschuldigen. Die hebben ervoor gezorgd dat de post een moderner imago kreeg en de belastingbetaler centen uitspaart. De leiding bestaat al lang niet meer uit ambtenaren, maar uit mensen van het vak. BPost is een conglomeraat van de Deense post, CVC Capital Partners en de Belgische Staat. De Deense post wil zijn aandelenpakket afstoten. Capital Partners zal aldus voor 49,9 procent aandeelhouder worden van BPost. Capital Partners heeft momenteel 53 vennootschappen en is actief in de Verenigde Staten, Europa en Azië. Het heeft 400.000 personeelsleden ter beschikking. De sectoren zijn veelvuldig: die gaan van formule 1 autosport, kleding, de drukindustrie tot precisieapparatuur. BPost is maar een klein onderdeel daarvan. Als Capital Partners erin slagen om de ontbrekende 0,1 percent + 1 over te nemen, wordt de Post geprivatiseerd.
Geen wonder dus dat het vaste personeel in paniek geraakt en vraagt de vakbonden tussenbei te komen.
De taak van de vakbonden is haar leden te beschermen. Zowel we zien is dat in dit geval gewoon niet meer realistisch. Maar de vakbonden spelen het spelletje met koppige, blinde hardnekkigheid, want ze moeten nu eenmaal hun leden tevreden houden. Het gaat natuurlijk niet om het welzijn van de klanten. Het gaat om de belangen van de werknemers en het prestige van de vakbonden. Daarvoor moet dus heel het land boeten. Waarom straffen ze ons, de onschuldige toeschouwers, die zelfs niet weten waarvoor ze eigenlijk staken?
Dat komt omdat de Belgische vakbonden het hier voor het zeggen hebben. Dat komt ook omdat spontane stakingen een recht zijn waar niet aan getild wordt. België is de kampioen in spontane stakingen, een eufemisme voor wilde stakingen.
Hoe komt het dat vakbonden zo machtig zijn en het dagelijkse leven kunnen lamleggen? Een beetje sociale geschiedenis is nodig.
België heeft lang moeten wachten op een rechtvaardige sociale wetgeving. De liberale werkgever van de negentiende eeuw had lak aan mensenrechten. De Belgische werkgevers zijn niet bepaald bekend als filantropen als het om hun werknemers ging. De sociale wetten werden niet door hun geïntroduceerd, maar door de syndicale inzet van de arbeiders. Dit was enkel mogelijk na een lange en bittere strijd die niet zelden met doden omweven was en waardoor de sociale rechtvaardigheid veel later tot stand kwam dan in de buurtlanden.
In Groot-Brittannië, de bakermat van de industriële revolutie, waren het de werkgevers zelf die het initiatief namen en wetten produceerden die kinder- en vrouwenarbeid reglementeerden. In 1833 werd een eerste doorbraak gerealiseerd wat de minimale leeftijd van kinderarbeid naar 9 bracht.
In 1840 werd het gebruik van kinderen onder de zestien als schouwvegers verboden. (De Disney-film Mary Poppins zit dus volledig fout, als hij de zielige schoorsteenvegertjes ten tonele voert, want het boek, of liever de boeken, want het zijn er 8, speelt zich af in 1908).
In 1842 werd ondergronds werk voor vrouwen verboden. Deze wetten werden opgevolgd door de andere geïndustrialiseerde landen. Frankrijk had een resem wetten vanaf 1841 tot 1900. Pruisen (het Duitsland voor 1870) begon ermee in 1839 en zou onder Bismarck hoger scoren dan Groot-Brittannië, wat bijdroeg tot het succes van de eenheidsstaat Duitsland. In België duurde het tot 1889 voor het kinderen onder de 12 ongezonde en ongevaarlijke arbeid verboden werd. Maar er werd een loopje genomen in de sectoren die met grote concurrentie te kampen hadden en ook in de huisarbeid en de landbouw. Ook de ouders werkten met de bazen mee en bleven kinderen produceren voor de levering van goedkope werkkrachten. Het duurde in België tot 1914 voor kinderarbeid onder de veertien jaar vervangen werd door schoolplicht.
In 1903 kwam er een wet op de arbeidsongevallen voor alle werknemers. Maar toen was de eerste industriële revolutie al uitgebloed.
In 1920 werden er betere gelijke politieke kansen gecreëerd door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht. De kleine man kreeg voor het eerst een politieke stem. Het feit dat het algemeen stemrecht zolang uitbleef (het duurde tot 1948 eer ook de vrouwen stemrecht op nationaal niveau kregen en dan nog onder de druk van de Amerikanen) was de schuld van de linkse zijde die bang was dat de vrouwen massaal voor de katholieke partij zouden kiezen. Uiteindelijk zaten ze verkeerd, maar gelukkig waren er hier niet zoveel weinig militante feministen.
In Nederland gebeurde het democratische proces sneller. In 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd. In 1919 kregen vrouwen actief kiesrecht. In 1922 werd er volledig algemeen kiesrecht ingevoerd. Tussen 1918 en 1920 verwerven vrouwen het kiesrecht in Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten.
Paradoxaal profiteerde de Belgische syndicalisme van deze wantoestand, omdat zij de enige officieuze spreekbuis van de kleine man was. De landen waar de burgers als mondig aangezien werden (in België is dit nog altijd niet het geval, vandaar de stemplicht), hebben opvallend heel wat minder vakbondsinmenging. Daar wordt eerder rechtstreeks op sectoriel niveau, tussen werkgever en werknemer (dus intern), wat tot betere deals leidt en dus ook tot een betere verstandhouding. Er zijn geen nationale stakingen mogelijk
Het begrip ‘spontane’ staking bestaat daar trouwens ook niet en het lamleggen van de hele economie is dan ook niet mogelijk. De economie blijft draaien en de mensen ondervinden er geen of minder last van, omdat ze niet voor verrassingen komen te staan en zich beter kunnen op voorbereiden.
Het was vooral dankzij het socialisme dat de overkoepelende sociale wetgeving tot stand kwam. Voorheen was het de werkgever die besliste over het welzijn van zijn werknemers en dus naar willekeur kon handelen. De socialistische partij werd in 1885 opgericht. De katholieke in 1912. Kerk en kapitaal zorgden ervoor dat de katholieke partij spoedig de socialistische overvleugelde, die met voortdurend geldgebrek had te kampen. De mondiale crisis van de jaren dertig veranderde die situatie echter. De vakbonden kregen meer invloed, hoewel de tweede wereldoorlog daar een stokje voor stak. Het zou tot na het einde ervan duren voor het stelsel van de werkloosheidsvergoedingen, ziekte- en invaliditeitsverzekering en betaalde jaarlijkse vakantie werd ingevoerd. Dit was enkel mogelijk omdat ook de staat bijsprong. De reden daarvoor was omdat zowel het fascisme als het communisme een beter arbeidersparadijs beloofden of hadden beloofd. Een afspraak tussen vakbond en staat zou leiden tot een innige samenwerking, waarbij de vakbond de administratie van de sociale zekerheid overnam en de staat als geldschieter optrad.
Uiteindelijk ziet de situatie er zo uit: overheid – werkgever – vakbond – werknemer. De werkgever, als verschaffer van werk en inkomsten, zit geprangd tussen de overheid en de vakbond, maar heeft daar mee leren leven. De werkgever betaalt een derde tot 80% bovenop het brutoloon als eigen bijdrage voor de sociale lasten en komt eveneens voor de helft in de syndicale premie tussen. Dat lijkt verdacht veel op maffiapraktijk: afkoop van dreigementen. De werkgever heeft er tenslotte alle belang zowel vakbond als staat tevreden te houden.
Maar de werkgever slaat ook terug. Dat blijkt uit de economische cijfers. België (en ook Nederland) zijn de kampioenen van het kleinbedrijf.
Omdat de sociale wetgeving syndicale vertegenwoordiging vanaf 50 werknemers stelt, houden de werkgevers hun bedrijf qua personeelsbezetting zo klein mogelijk. Dit kan door de werknemers een hoger productieritme op te leggen (België is niet voor niets een van de productiefste landen ter wereld), de lonen te beperken tot de verplichte indexaanpassingen en de overeengekomen Cao-afspraken, en afdelingen juridisch te splitsen als het op de werkvloer te druk wordt. Dit heeft dan ook tot gevolgd dat de vakbonden weinig of geen inspraak in de KMO’s hebben en zich noodgedwongen moeten beperken tot de sectoren met de meeste werkverschaffing, dit zijn de overheidsinstellingen en de grote ondernemingen.
Waar geen vakbondinmenging is, zijn de werknemers gedwongen om hun problemen binnenhuis af te handelen. Werknemers die hun vakbond erin betrekken, lopen het risico ontslagen te worden, en niet zelden kiest de vakbond de kant van de werkgever, omdat er geen baat bij is een juridisch dure actie op te starten.
KMO is een veel in Vlaanderen gebruikte afkorting voor "kleine of middelgrote onderneming". De term in Nederland voor KMO is MKB of Midden- en Kleinbedrijf. Een praktisch verschil is, dat MKB een aanduiding is voor de sector, niet voor een bedrijf. Men kan dus wel spreken van "een KMO" maar niet van "een MKB"; wel spreekt men van "een MKB-bedrijf".
Even een zijsprongje naar de KMO.
De Vlaamse regering en de Europese Gemeenschap beschouwen bedrijven met minder dan 50 ondernemers als klein en leggen de grens voor een KMO op maximaal 250 werknemers. Naast het aantal werknemers zijn er andere criteria betreffende omzet en zelfstandigheid. Zij vertegenwoordigen dus zowel eenmansbedrijven ("de slager om de hoek") als redelijk kapitaalsintensieve bedrijven als bijvoorbeeld softwareleveranciers.
In België vinden we het grootste aantal KMO’s terug in de sector van de zakelijke dienstverlening (15%), kleinhandel (12%), groothandel (12%) en de bouwnijverheid (11%). 6% van de KMO’s in België vinden we terug binnen de industrie, waarbij de subgroepen voeding (1,1%), metaal (1%) en uitgeverijen, drukkerijen en reproductie (1%) de grootste takken zijn.
In Vlaanderen en Wallonië is de verdeling van het aantal KMO’s over de verschillende sectoren gelijkaardig aan de nationale situatie. Het grootste verschil stellen we vast binnen de sector van de landbouw, bosbouw en visserij. In Vlaanderen is 10% van de KMO’s binnen deze sector te situeren, in Wallonië is dit 12%. Brussel kent de grootste verschillen met de andere regio’s in de sectoren van de overige zakelijke dienstverlening (22% t.o.v. 15%) en de landbouw, bosbouw en visserij (2% t.o.v. 10%).
Bedrijven met een geringe personeelsbezetting maken het leeuwendeel uit van de KMO. Zij verkiezen automatisering en hard werken boven vakbondinmenging. Vakbonden werken paradoxaal door hun acties de automatie dus in de hand. Deze tendens in het bedrijfsleven is begrijpelijk. De werkgever is als de dood voor stakingen. Dat kost hem een pak geld, omdat bestellingen niet tijdig uitgevoerd worden, wat verlies aan klanten betekent, maar ook verlies aan prestige en omzet. Het gevolg daarvan is dat mensen ontslagen moeten worden.
Niet alle werknemers kunnen zomaar ontslagen worden.Alle werknemers die deelnemen aan de sociale verkiezingen genieten van een sterke bescherming tegen ontslag, dus zeker de personeelsvertegenwoordigers in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming. Dit zijn de beschermde werknemers. Zij kunnen maar ontslagen worden wegens dringende reden ofwel om economische of technische redenen. De reden moet eerst erkend worden door een arbeidsrechtbank of door het paritaire comité van de sector. Onnodig uit te leggen dat de werkgever zich tweemaal zal bedenken voor hij een beschermde werknemer die zijn dag doorbrengt met zijn collega’s op te ruien en met vakbondsacties te dreigen, de bons zal geven. Het is een noodzakelijk kwaad dat hij in zijn bedrijf moet dulden in ruil voor rust op de werkvloer.
Dat staken een regelrechte bedreiging is voor de werkgever is het gevolg van het feit dat België een van de meest liberale stakingsrechten heeft. De minst beperkte en meest vrije vakbonden zijn terug te vinden in België, waar de legale doctrine niet toestaat dat er enige actie tegen hen ondernomen wordt (zelfs niet door de werkgever).
Vakbonden hebben over het algemeen de rechtsvorm van een vereniging. In België zijn vakbonden echter bij bijzondere bepaling géén rechtspersoon. Hierdoor ontsnappen ze aan de wetgeving op de boekhouding en het openbaar maken van jaarverslagen.
Laten we het eens over dat beruchte Belgische stakingsrecht hebben.
Weinig mensen stellen tegenwoordig het recht op staken in vraag, maar over de reikwijdte van dit recht kan heftiger gediscussieerd worden. Zo is het maar zeer de vraag of het bedrijfsleven moet opdraaien voor stakingen die voortvloeien uit politieke keuzes (denk maar aan het beruchte Generatiepact). Een deel van de opgelopen schade zou kunnen verhaald worden op de vakorganisaties, ware het niet dat ook op dit punt ons land zich internationaal onderscheidt van de anderen. Omdat de Belgische vakorganisaties geen rechtspersoonlijkheid hebben kunnen ze niet aansprakelijk gesteld worden voor hun daden.
Opdat een staking legaal zou zijn, moeten de werknemers er een redelijk belang bij hebben. In de praktijk blijkt dat de meest voorkomende stakingen te maken hebben met volgende kwesties:
Arbeidsvoorwaarden
• Veiligheid- en gezondheidskwesties
• Het beëindigen of schorsen van een overeenkomst
• Locatie van de werkgelegenheid
• Disciplinaire kwesties
• Faciliteiten voor de officiële vertegenwoordigers van een vakbond
Een verlieslijdende pakjesdienst hoort hier niet bij.
Stakingen om tot een CAO te komen, mogen in België. Een CAO is tussen haakjes een sectoriele overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij de laatste bepaalde eisen afdwingen die een gans jaar gelden een waarvan niet afgeweken kan worden. Omdat die collectief is profiteren ook de werknemers die anders voor een loonsverhoging niet in aanmerking zouden komen daarvan. De werkgever zal aldus loonsverhogingen enzovoorts zoveel mogelijk in discussie stellen, wat tot krachtmetingen kan leiden.
Inge Vervotte, vakbondswoordvoerder in het dossier van Sabena, heeft haar steile politieke carrière te danken aan haar (mislukte) poging om tot een akkoord met de werkgevers te komen.
De legaliteit van een staking zal niet worden bepaald door te verwijzen naar het doel ervan, maar wel door de ‘feitelijkheden’ die ermee gepaard gaan. Voorbeelden hiervan zijn:
• Illegaal opstellen van stakerspiketten (die voorkomen dat niet-stakende werknemers en/of leveranciers het bedrijf binnengaan)
• Illegale bedrijfsbezettingen
• Gebruik van geweld / bedreigingen
• Het aanrichten van materiële schade tijdens de staking
In deze gevallen kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en/of de voorzitter van het arbeidsgerechtshof tussenkomen en een eind aan de staking maken. In de praktijk gebeurt dit zelden.
Een van de bekendste gevallen waarbij de vakbond haar boekje te buiten ging was dat van Alain Zenner, curator van het failliete Forges de Clabecq, die een moot kreeg en met bebloed gezicht in de media verscheen. Hij kreeg heel wat sympathie voor zijn heldendaad van het establishment en begon daarna een succesrijke politieke carrière.



Vakbonden zijn lucratief, zelfs als je er tegen bent.

Er zijn dus grenzen aan wat de vakbond kan en mag.Maar dat geldt niet voor stakingen. Daar kan de vakbond zich uitleven. Er zijn in België geen beperkingen aan de schaal van een staking. Stakingen kunnen bijvoorbeeld voorkomen in elke industrie, regio, bedrijf of bedrijfstak. In bepaalde sectoren (en dit geldt voor de meeste landen) zijn er wel enkele beperkingen zoals het voorzien van een minimale dienstverlening.

Hoe zit het in het buitenland?
In Frankrijk hebben individuele werknemers het beschermde (grondwettelijk) recht om deel te nemen aan industriële acties.
In andere landen zijn er stringentere regels voor stakers en stakingen. In Duitsland bijvoorbeeld, hebben werknemers geen individueel recht om industriële acties op te zetten en stakingen die niet zijn goedgekeurd door de vakbonden zijn illegaal. In Denemarken zijn industriële stakingen enkel toegestaan als ze gericht zijn op het behalen van een collectief akkoord. Ook in dit land hebben individuele werknemers niet het recht om een industriële actie op poten te zetten. De meest strenge bewoordingen vinden we waarschijnlijk terug in het Verenigd Koninkrijk. Daar bestaat immers geen positief recht om deel te nemen aan industriële acties. In sommige landen kan een werkgever al op voorhand legale acties ondernemen tegen een illegale staking en zo de organisator ervan verplichten van de voorgenomen acties af te zien. Dat is onder meer het geval in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Ierland, de Verenigde Staten en Griekenland. Een dergelijk voorlopig verzoek is niet mogelijk in onder meer België, Frankrijk en Oostenrijk. In Denemarken is een spontane staking meestal illegaal omdat het een inbreuk vormt op de clausule van ‘sociale vrede’. Ook in Duitsland zijn spontane stakingen illegaal, behalve als ze achteraf worden geautoriseerd en overgenomen door een vakbond (waarna ze dus legaal worden). In het Verenigde Koninkrijk is een spontane staking die niet goedgekeurd is door de vakbond een ‘niet-beschermde industriële actie’ en kan het dus ook niet rekenen op de beschermingsmaatregelen die wel gelden bij een officiële staking.
Een belangrijke opmerking is wel dat in de meeste landen waar spontane stakingen zijn toegestaan, er een uitzondering bestaat voor bepaalde sectoren. Ordediensten en verzorgend personeel zijn dan bijvoorbeeld typische diensten die een minimumbezetting moeten garanderen.
In de Engelse wetgeving is het wel toegestaan om een piket op te slaan aan de werkplaats, maar zijn blokkades uit den boze. In Frankrijk zijn blokkades toegestaan als het de werknemers niet verhindert om naar hun werkplaats te gaan. Ook in Duitsland is het blokkeren van gebouwen verboden.
Er zijn verschillende soorten stakingen en evenveel redenen om te staken. Laten we er enkele onder de loep nemen.
Politieke staking.
In België kan een dispuut van politieke aard dat niet gerelateerd is aan de arbeidsvoorwaarden, de basis vormen voor een staking. Op dit gebied is ons land min of meer een witte raaf. In Spanje heeft recente ‘case law’ aangetoond dat een politieke staking niet illegaal is onder bepaalde omstandigheden, als de professionele belangen van de werknemers rechtstreeks in het spel zijn.
In de meeste andere Europese landen geldt een ander verhaal. In Frankrijk vallen politieke stakingen niet onder de bescherming tegen ontslag. Een soortgelijke situatie geldt in het Verenigde Koninkrijk, waar een staking van politieke aard niet onder de immuniteitsvoorwaarden van de vakbond valt. In Duitsland en Denemarken zijn politieke stakingen illegaal, net als in Griekenland, Italië en Luxemburg.
Schadeclaims
Door het recht op staken kunnen Belgische werkgevers geen schadeclaims indienen bij een spontane staking. Een vakbond die een staking organiseert in ons land is niet verantwoordelijk voor de veroorzaakte schade. Dit in tegenstelling tot het merendeel van de Europese wettelijke systemen, waar wel wordt voorzien in een schadeclaim tegen de organisator van een illegale staking (bijvoorbeeld in Duitsland, het Verenigde Koninkrijk, Spanje, Zweden en Oostenrijk). In het Verenigde Koninkrijk, Zweden en Finland is het bedrag dat kan geclaimd worden wel begrensd.
De voorgeschreven omstandigheden waarbij men schade kan claimen, verschillen van land tot land. In Duitsland heeft een werkgever die schade lijdt bij een spontane staking recht op schadeclaims tegen de vakbond en de individuele werknemers. Ook in het Verenigde Koninkrijk kan een werkgever de vakbond vervolgen als die een industriële actie heeft ondernomen die niet in overeenstemming is met of ter bevordering van een geschil tussen werknemers en werkgevers. Volgens de Franse ‘case law’ kan een werkgever compensatie krijgen voor de opgelopen schade tijdens een staking, hetzij van een vakbond, hetzij van individuele werknemers.
Lockout
Ook voor de werkgevers staat er een sanctieoptie open, namelijk een lockout. In dit geval staat een werkgever de werknemers niet toe om aan het werk te gaan tijdens een industrieel dispuut. De Belgische rechtspraak aanvaardt de wettelijkheid van een lockout als het ‘legitieme verweer’ tegen een illegale staking. Maar die wetgeving is strikt en vereist dat een lockout voorafgegaan wordt door een verzoeningspoging. Een lockout mag dus enkel dienen als laatste uitweg. Als er een wettige lockout is, worden alle werknemerscontracten geschorst. Er moeten dan dus geen lonen worden uitbetaald voor zolang de lockout duurt.
Even wat uitleg over het belangrijkste bestaansrecht van de moderne vakbond: de tussenkomst in Werkloosheidsuitkeringen.
Het Belgische organisatiesysteem werkt via de vakbonden. Er zijn drie erkende vakbonden die als uitbetalinginstellingen fungeren: Liberale vakbond (ACLVB), de Christelijke vakbond (ACV) en, Socialistische vakbond (ABVV) die dus qua confessionaliteit innig verbonden zijn met hun partijsysteem. Ze werken echter niet voor je als je geen lidgeld betaalt. Dit lidgeld bedraagt tussen de 50 en 150 euro per jaar. Er is ook een Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen als je niet aangesloten bent bij een vakbond. De dienstverlening is gratis, maar die is vrijwel onbestaand. Je sluit je hierbij aan als je de partijpolitiek van de traditionele vakbonden niet ondersteunt.
Wie bij een vakbond is aangesloten kan over heel wat voordelen beschikken, zoals recht op stakingsvergoeding, juridische bijstand en lobbyen op de RVA. Bij een inkrimping van het personeelsbestand kan een vakbond eisen dat eerst de niet-georganiseerde werknemers worden ontslaan. Door de eenmaking van de Europese markt ontstaat namelijk een massale invoer van goedkope werkkrachten uit de armere landen. Deze hebben er geen boodschap aan om gesyndiceerd te zijn, en hun tussenpersonen zullen ze ook hun rechten niet vertellen. Die zijn uiteraard een doorn in het oog van de vakbonden omdat ze zich niet aan de regels van het spel hoeven te houden en aan minimum lonen willen werken.
De invloed van de vakbonden kunnen we zien aan de hand van twee extremen: de Amerikaanse en Belgische vakbonden.
Geen vakbonden in huis betekent voor bedrijfsleiders een enorm competitief voordeel. Want vakbonden eisen een degelijk salaris voor hun leden. Maar wacht even. Het draait om meer dan het loon alleen: zonder vakbonden heeft het management de handen vrij om werkafspraken te maken, vakantiedagen op te leggen, al dan niet veiligheidsvoorzieningen of ziekteverzekeringen te voorzien. Dit (Belgisch) vakbondsargument maakt evenwel geen indruk op de Amerikanen. Het is opvallend hoe weinig animo er was bij het wetsvoorstel van de Amerikaanse president om de sociale zekerheid op te krikken en de 35 miljoen armen een goedkope zorgverzekering te verstrekken. Het voorstel werd afgeketst door het Congres en is met stille trom afgevoerd. De (rechtse, rechtgeaarde, WASP Amerikanen vinden nu eenmaal dat staatsinmenging een aanslag is op hun persoonlijke vrijheid en daarvoor zijn ze bereid een groot deel van hun fellow-Americans bij het grof huisafval te zetten.
Dit is een fundamenteel verschil tussen het staatsgecontroleerde België en het vrijheidslievende Amerika.
Vakbonden in Amerikanen zijn geen succes. Vandaag is amper 12 procent van de werkende Amerikanen lid van een vakbond. In 1955 was dat nog 35 procent. De grootste Amerikaanse vakbond is de NEA, de National Education Association, die het openbaar onderwijs verenigt. Industriële vakbonden staan ver achter.
De syndicalisatiegraad in België bedraagt 73%, wat het hoogste percentage van de geïndustrialiseerde westerse landen. In vergelijking: in 2001 was 25% van de Nederlandse werknemers (in de leeftijd 15-64 jaar) aangesloten bij een vakbond ("georganiseerd"). In 2003 waren circa 1.927.000 personen lid van een Nederlandse vakvereniging. De grootste vakcentrale, de FNV, zag het ledental dalen van 1,233 miljoen in 1999 naar 1,171 miljoen in 2006. In 1994 had de FNV 1,111 miljoen leden. De invloed van de vakbonden daalt met de dag. Dit is ook zo in het buitenland. Blijkbaar is België dus de witte raaf.
Financiering van de vakbond.
Beperken we ons tot het ACV, de grootste vakbond (ik heb trouwens geen cijfers over het ABVV, dat daar kennelijk geen ruchtbaarheid wil aan geven).
Het ACV is ontstaan uit een symbiotische koppeling tussen kapitaal en kerk. Zij was het antwoord op het groeiende succes van de socialistische vakbond. Het ACV wilde de kerk in het midden houden (ook letterlijk) en kon daardoor rekenen op de katholieke solidariteit tussen werknemers en werkgevers en deze traditie is op heden blijven bestaan.
Eind 2007 telde het ACV ruim 1,6 miljoen leden - waarvan 1.120.000 in Vlaanderen. Het ACV is daarmee de grootste vakbond in België. Het ABVV geeft op zijn website aan 1.415.000 leden te hebben die dus elke maand een bijdrage betalen.
Die bijdrage schommelt tussen de 50 en 150 euro. Als we de gemiddelde bijdrage op de mediaan stellen (100 euro) krijgt het ACV jaarlijks 160 miljoen euro binnen en het ABVV 141 miljoen. Dat is een hoop geld waarvoor ze geen verantwoording hoeven af te leggen, en geen belastingen moeten over betalen.
Naast de ledenbijdragen – de belangrijkste inkomstenbron voor de syndicale activiteiten van het ACV - zijn er nog een aantal andere inkomstenbronnen: het ACV krijgt voor een aantal van haar vakbondsactiviteiten subsidies van de overheid (bijvoorbeeld voor permanente vorming en voor internationale samenwerking). Die subsidies blijven evenwel zeer beperkt, precies omdat ze geen boekhouding voeren en dus geen beroep kunnen doen op financiële tussenkomst. Niet dat dit nodig is.
Voor de administratieve activiteiten die het ACV vervult als uitbetalinginstelling van de werkloosheidsvergoedingen ontvangt het ACV van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) een beheersvergoeding. Het ACV had van oudsher werkloosheidskassen, gefinancierd door een eigen bijdrage van de leden. Toen die werkloosheidsverzekering veralgemeend werd en een onderdeel werd van de sociale zekerheid, bleef het ACV verder erkend als uitbetalinginstelling. Deze vergoeding verhoudt zich tot het aantal dossiers. Ook ABVV, ACLVB en de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen (HVW) krijgen zulke vergoeding in verhouding tot hun ‘marktaandeel’. Hoe groter de vakbond, hoe groter de vergoeding. In 2007 bleek dat de federale overheid 143,1 miljoen euro aan deze instellingen heeft betaald, een stijging van 3,7% ten opzichte van 2006. Een opvallend cijfer, want de werkloosheid daalde.
Als tegenprestatie moeten de vakbonden de RVA inzage in hun dossiers verlenen. Dit is zowat de enige overheidscontrole waaraan ze zich moeten ontwerpen. Dit in het kader van de strijd tegen onrechtmatige werkloosheidsuitkeringen. Uiteraard zijn de vakbonden niet geneigd om leden te verliezen die door de RVA geschrapt zijn en zullen ze die inzage zoveel mogelijk beperken.
Het ACV verwerft uiteraard ook inkomsten via haar beleggingen die het doet. Welke die beleggingen zijn, weten we niet. We veronderstellen dat ze nauw samenwerken met de bankwereld en geld naar fiscale paradijzen versluizen.
Het ACV heeft een bankrekening in Luxemburg waarop in 2000 25 miljoen euro stond. Recente cijfers zijn mij niet bekend. Deze ACV- rekening staat op naam van de voorzitter, de algemene secretaris en de nationale verantwoordelijke voor de financies. Iedereen mag een buitenlandse rekening hebben in de “vrije”wereld. Dus ook het ACV. Er zijn echter plichten: het bestaan van een dergelijke rekening moet worden meegedeeld en op de inkomsten dienen belastingen betaald te worden. Maar het ACV beroept zich op internationale wetgeving om te verantwoorden dat het om een "niet-openbare rekening" gaat waarop dus geen belastingen dienen te worden betaald aangezien "noch de vakbond als feitelijke vereniging noch de individuele leden belastingplichtig zijn voor de inkomsten voortkomend uit de verzamelde middelen van de weerstandkas”.
Waarom rekeningen hebben in andere landen, zoals het belastingparadijs Luxemburg? 
"Het onderbrengen van de stakingskas in een ander land", zo zegt het ACV, "is aangewezen ter beperking van de kwetsbaarheid, bijvoorbeeld tegen overheidsingrijpen (o.a. de blokkering van rekeningen) bij algemene staking of andere acties".
Hoeveel geld er in de centrale weerkas is, zo gaat het ACV verder, moet geheim blijven, want moesten de werkgevers weten hoeveel er in de kas is, zouden ze stakingen kunnen uitlokken, ten einde de vakbond financieel te breken.
Maar er is meer. De vakbonden, waaronder het ACV, hebben in ons land een zeer machtige positie. Zij maken deel uit van honderden instellingen en comités, zoals de Nationale Bank, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale Arbeidsraad, de Paritaire Comités, de arbeidsrechtbanken en hoven. De vakbonden hebben het monopolie bij het voordragen van de kandidaten arbeiders en bedienden voor de komende sociale verkiezingen. De grote vakbonden maken deel uit van de bekende socialistische en christelijke zuilen en beïnvloeden rechtstreeks de politiek in ons land.
De vakbonden beheren daarenboven samen met de werkgevers, de sociale zekerheid, goed voor zowat 35 miljard euro; ze sluiten Cao’s, die, wanneer ze algemeen verbindend worden verklaard, juridisch gelden voor alle werkgevers en werknemers van het hele land of van de betrokken bedrijfstak. Zij innen in de sectoren gelden, die paritair beheerd worden, in het kader van Fondsen voor Bestaanszekerheid. Ook die Fondsen van zijn een voorbeeld van non-transparantie.
De uitgaven.
Wat de uitgaven betreft, naast de organisatorische kosten, moet de vakbond ook haar stakende leden uitbetalen.
Als een groep werknemers beslist om te gaan staken, schorten ze automatisch hun arbeidsovereenkomst op. De werkgever is dus niet meer verplicht hun loon verder uit te betalen. Vanaf dat ogenblik kunnen enkel stakers die bij een vakbond zijn aangesloten, een stakingsvergoeding krijgen (in principe 20 euro per dag). Maar ze ontvangen die vergoeding alleen als de vakbond de staking vooraf heeft erkend (of uitgeroepen).
Stakers die niet bij een vakbond zijn aangesloten, krijgen in principe geen loon uitbetaald. Het spreekt vanzelf dat de meeste door de vakbonden erkende stakingen gesteund worden door de grote partners, ACV en ABVV omdat die het meeste geld ter beschikking hebben. Voor de andere vakbonden kunnen langdurige stakingen een zware tol op hun kas betekenen.
De nieuwe politieke cultuur.
Tegenover al die vakbondsmachtuitingen staat er geen democratische legitimering. De vakbonden hebben geen rechtspersoonlijkheid, hun leiders worden niet democratisch verkozen, de leden hebben geen inzage in de financiën van hun bond. Geen informatie aan eigen leden, daar waar de vakbonden met klem en terecht medebeheer en inspraak, met informatie, vragen aan de ondernemingen. Waarom zelf het voorbeeld niet geven?
Hier is heel wat te doen in het kader van de "nieuwe politieke cultuur": democratie, openheid en tolerantie.
Mag men verwijzen naar buitenlandse voorbeelden: in de VS en het Verenigd Koninkrijk worden de syndicale leiders democratisch verkozen en worden de financiën bekend gemaakt. De Amerikaanse vakbonden zijn fier op hun stakersfondsen en pakken daar gretig mee uit ter gelegenheid van de onderhandelingen. In Nederland maken de vakbonden een jaarrekening bekend.
In Frankrijk hebben de werkgevers en de grote ondernemingen beslist een open beleid te voeren in verband met hun beloning en deelname in de winst van het top management. Een goede stap vooruit.
Vakbonden hebben het meest succes in noodlijdende, slecht gemanagede en weinig doelmatig werkende sectoren. Daar waar de vakbonden weinig of geen toegang krijgen, blijken de sectoren gunstiger te evolueren. Het zijn voornamelijk kleinere bedrijven, de KMO’s, die de moderne economie op gang trekken. De bedrijven die geen rekening met vakbondinmenging moeten houden omdat hun personeelsbestand te gering is. België bekleedt op het gebied van innovatie in Europa de zesde plaats. Dat blijkt uit een rapport van de Europese Commissie. België liet in het rapport een gemiddelde groei van 2 procent optekenen in de vijfentwintig onderzochte innovatie-indicatoren. België voert samen met Groot-Brittannië het achtervolgende peloton aan op de innovatieve Europese economieën Zweden, Denemarken, Finland en Duitsland.
De vakbonden moeten eens goed beginnen nadenken over hun sociale rol. Willen ze de vooruitgang stremmen of de werknemers zelf laten beslissen hoeveel ze willen werken en verdienen?
De vakbonden proberen hun macht te behouden. Ze zullen die met hun enorme kapitaalmiddelen, hun verknochte achterban en hun stakingsdreigingen verdedigen, zelfs als dat de economie ernstige schade kan toebrengen. Er zal een Europese tussenkomst nodig zijn om aan deze wantoestand een einde te maken.

Je kunt deze bijdrage ook downloaden en afdrukken op ons forum

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

zondag 6 februari 2011

RECLAME

Wat zouden we zonder reclame zijn? Geen gewillige consumenten uiteraard, we zouden de producten die we kopen objectief bekijken, bestuderen en vergelijken. De reclame wil precies het omgekeerde: dat de potentiële klant het product liefst impulsief koopt. Reclame bedient zich daarvoor van reclametechnieken. Het kan feilloos inspelen op wat we willen, niet willen en onbewust verlangen. Daar heeft het meetinstrumenten voor. Het sleutelwoord waar het allemaal om gaat, is geluk. De nieuwe auto, de 3D tv, de trendy merkkledij, het appelleert allemaal aan onze behoefte naar persoonlijk geluk. Je kunt waardering opbrengen voor een goede reclameboodschap, maar er zijn er andere waar je je aan ergert.

Enkele voorbeelden.

Delhaize versus Aldi. Delhaize probeert Aldi te overtroeven met nog goedkopere prijzen. Dit noem ik negatieve reclame. Waar halen ze het in hun hoofd hun eigen cliënteel te beledigen door naar Aldi te verwijzen? Wie goedkoop wil kopen, gaat naar Aldi. Delhaize wil kennelijk van haar imago van degelijkheid af.
De Senseo koffiemachine, Philips’ paradepaardje van hun sense & sensibility campagne.  Een typisch product van de moderne tijd: elegant, efficiënt, snel. Hij wordt verkocht als een espressoapparaat, wat hij niet is. De koffie is Hollandse bocht waar je maagpijn van krijgt. Wat hiermee nog eens bewezen wordt dat snel geen synoniem is voor kwaliteit. En die ondingen blijken ook nog te ontploffen! Als ik toch wat positieve reclame mag maken: koop de padjes van Café Liégeoise.






De iPad van Apple. Een hebbeding dat meer kost dan een laptop of notebook en maar half zoveel presteert. De reclame vertelt ons dat we dit moeten hebben als we bij de tijd willen zijn. Achterblijven is synoniem van mislukking, luidt de onderliggende boodschap.

Radioreclame. Totaal onnodig en overbodig. Dus geen woorden aan verspillen.

Snelle auto’s. Ze kunnen 250 kilometers per uur over de snelweg razen. Dubbel zo snel als toegelaten. Niet alleen hangt er een fikse boete boven hun hoofd als ze geflitst worden, maar verliezen ze ook uit het oog dat, zelfs bij de normaal toegelaten maximale snelheid, de remafstand 130 meter is. Omdat snelheid aanstekelijk werkt, is het geen wonder dat aanrijdingen op de autosnelweg altijd leiden tot kettingbotsingen.

Gratis tekstberichtjes, hoe meer hoe beter, als je maar blijft bellen. Voor de provider kost het niets, want sms is gewoon een leegte tussen de relaismasten. Een cadeau dat er geen is.

Vlaamse films. Ze krijgen barnumreclame, de champagne bruist op de receptie, iedereen is enthousiast voor de camera. Deze film heeft het. Je moet hem gezien hebben. Zeg het voort. We wachten nog altijd op de eerste Vlaamse speelfilm die een Oscar wint, tax shelter ten spijt.








Tags. Je zoekt iets op het internet op dat je interesseert en meteen krijg je er dan een lading reclame bij voor aanbiedingen die op jouw zoektocht zijn afgestemd. Een manier van adverteren die feilloos afstemt op een doelgroep (lelijk woord). Sommige websites zijn één groot reclameblok geworden. Dankjewel, Google!

Tv-reclames die hun doel missen. Die ons met hun schreeuwerige decibels voldoende ergeren om naar een ander kanaal over te schakelen. Tv-reclames die zo leuk zijn dat je vergeet over welk product het gaat. Tv-reclames die schaamteloos kinderen bewerken.


En dan heb je de home entertainment centers. Alles-in-één, gebruiksvriendelijk, geen gesjoemel met kabels. Of wel? Zie je op deze reclamefoto kabels liggen? Ze zijn er, maar waar? Blijkbaar niet aan de achterkant, waar ze thuishoren. Mysterie… Of is dit een photoshop product? Zijn de aansluitingen voor HDMI, VGA, scart, TV, audio, DVD/Bluray speler, beamer, Xbox, 6.0 dolby geluidsversterker, decoder, mediarecorder, kabel-tv, internet, computernetwerk soms draadloos geworden? Wellicht zijn ze listig in de muur gestopt. Probleem als je je interieur wilt veranderen!




Gokspelletjes. Lotto, krasloten, internetgokken. Verspild geld. Maar misschien zal ik ooit eens winnen… Anderen zijn me voorgegaan. De Nationale Loterij als schaamteloze uitbuiter van de hebzucht. Geld maakt gelukkig. Met geld koop je geluk. Wat een cynische instelling van een staatsonderneming, die ons eigen geld mondjesmaat teruggeeft en de rest voor zichzelf houdt.












De groene hype… Wat een onzin. Een nieuwe goedkope marketingtruc die het milieu nog meer vervuilt. Kleinere co2-uitstoot? So what? Een auto die dubbel zoveel kilometers doet met de helft minder uitstoot, is even vervuilend als een auto met dubbele uitstoot die de helft aflegt. Omdat we ons minder schuldig voelen, gaan we met zijn allen nog meer kilometers erdoor jagen, nog langere files kweken, nog meer landschappen bezoedelen. Die groene hype is pure hypocrisie.





Hypocrisie, een kernwoord van de reclame. Tabak doodt, maar de accijnzen blijven welkom. Leningen kosten geld, maar je kunt er tien tegelijk krijgen. Alcohol werkt verslavend, maar wordt voorgesteld als bevrijdend. Auto's vervuilen, maar blijft de melkkoe van de overheid. Halve leugens, halve waarheden.

Reclame leidt tot verspilling. Overtolligheid. Eindeloze rijen cornflakesdozen en chipszakken, dertig soorten yoghurt, twintig merken mayonaise naast elkaar, rijen frisdranken. Hun verpakkingen blèren allemaal dat ze de beste zijn. Je wordt er moedeloos van. Je haakt af, te veel is te veel. De toren van Babel als reclame.

En ga zo maar door. We zullen af en toe eens een foute reclame onder de loep nemen, misschien kunnen die clevere marketeers er een lesje uittrekken.

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

donderdag 3 februari 2011

GODSDIENST EN STAAT.

De Kerk moet tegenwoordig heel wat schokken verduren. Spirituele aardbevingen die de vroeger zo keurige façade doen wankelen. Het Vaticaan bagatelliseert de feiten. Of al die schandalen het fundament zelf zullen onderuit halen, is twijfelachtig.
Er zijn verschillende motieven daarvoor.
Heel wat mensen willen geloven. Het is heel geruststellend als je onder de paraplu van het geloof kunt schuilen. Het maakt je minder kwetsbaar en je kunt tegenslagen beter aan.
Religie maakt een belangrijk, misschien wel het belangrijkste deel van een cultuur uit. Godsdiensten onderscheiden zich van elkaar. De wereld van de kristenen is anders dan die van de moslims dan die van de Hindi dan die van de boeddhisten. Dit uit zich in verschillende belevingspatronen. We hebben nood aan een eigen identiteit en het geloof verschaft ons die.
Is dit alles wat het leven voorstelt, vragen heel wat mensen zich af. Het geloof vindt daar een antwoord op: geloof en blijf trouw aan onze kerk. Je zult beloond worden aan het einde der tijden. We hoeven enkel de uitgestippelde richtlijnen op te volgen. Na onze dood krijgen we wat we verdienen.
Het beeld van een superieur wezen dat over ons waakt, ons leidt en beschermt tegen het kwaad blijft sterk overeind. Het kristendom, met zijn 2 miljard leden en de islam met zijn 1 miljard leden geloven in een dergelijk spiritueel wezen. Samen vormen ze bijna de helft van degenen die in iets geloven.
Maar geloven is maar een klein onderdeel van het reusachtige apparaat dat dit in stand moet houden. Het meest succesrijke is het kristendom. De reden daarvoor is niet omdat dit geloofssysteem beter is dan de anderen, maar omdat het een herkenbare, in termen van een organisme, piramidale structuur heeft en zich ook werelds kan handhaven. Daarvoor bestaat het Vaticaan, een soevereine staat met een staatsleider, een eigen parlement (de Romeinse curie), politie en leger en een bank. Het beschikt over enorme kapitaalstromen die uit de hele wereld komen en die ze naar believen kunnen gebruiken.
Haar politieke invloed is zo groot dat een aantal landen het geloof tot staatsgodsdienst hebben verheven, waaronder ook België, en die aldus de godsdienst met geld uit de schatkist steunen.
Het klinkt verrassend, maar de Belgische grondwet heeft geen artikel dat de scheiding tussen staat en godsdienst oplegt. Het gevolg is dat het bekende/beruchte Belgische achterpoortje wijd open staat voor de financiering van de Kerk en wij allemaal instaan voor het onderhoud en de oprichting van bidhuizen en het betalen van een wedde voor bedienaren. Er stromen jaarlijks zo’n 300 a 600 miljoen euro’s naar de erediensten.
Er zijn op dit moment zes godsdiensten die door de staat gefinancierd worden, met inbegrip van de pensioenen van de beoefenaars. Er staan andere te springen om erbij te horen. Het wordt dus hoogtijd dat we van dit systeem afgeraken, anders betalen we ons binnenkort blauw aan religiën.
De Kerk gebruikt dat gemakkelijk gewonnen geld niet alleen voor binnenlandse doeleinden. Een deel vloeit af naar het Vaticaan. Ze moet geen verantwoording afleggen; ze hoeft geen boekhouding bij te houden. Wat ze met het geld doen, heeft niemand zaken.
Als de Kerk op de werkingskosten zou kunnen snoeien, haar enorme grondbezit voor het goede doel aanwenden (bijvoorbeeld voor de bouw van sociale huisvesting) en wat meer moeite zou doen om zieltjes bij te winnen (door bijvoorbeeld missen aantrekkelijker te maken), is het best mogelijk dat de kerkgangers een groot deel van de uitgaven op zich nemen. Nu betaalt elke Belg circa 56 euro per jaar voor de Kerk.
Totale stopzetting van de financiering zoals in Nederland zit er niet in. De realiteit is dat België op zijn grondvesten zou schudden als dit zou gebeuren. Het Vaticaan, dat ook een vinger in de pap van de Europese Unie heeft, zou dan waarschijnlijk dreigen de politieke banden met België te verbreken. Dit zal onze monarchie, die van oudsher nauwe banden onderhoudt, niet toelaten, wat dan weer tot interne troebels zal leiden, alsof we er al niet genoeg hebben.
Een meer gematigd systeem van financiering is de kerkbelasting, naar analogie met Duitsland, Spanje en Italië, waar je op je belastingsbrief aanduidt welke godsdienst of goede doel je wilt financieren. Je betaalt dan effectief een bijkomende belasting. Of dat voor België nuttig is, betwijfel ik. Bijna alle Belgen zijn katholiek gedoopt en zelfs als ze geen keus maken, zal de Kerk nog altijd een hoop uit de schatkist kunnen halen zonder daarvoor iets terug te geven.
Hoe zit het met het veelgeroemde Franse systeem? Na de Franse revolutie werden de eigendommen van de Kerk verbeurd verklaard en kwamen ze onder het beheer van de staat. De kerkgebouwen van voor 1905 zijn nationaal patrimonium en worden door de schatkist onderhouden (behalve in Elzas-Lotharingen en de koloniën waar de scheiding niet bestaat en de clerus door de overheid betaald wordt).
In België hebben we een gemengde situatie. Historische kerkgebouwen vallen onder het patrimonium, gewone kerken worden beheerd door de zogenaamde kerkfabriek, doorgaans een vzw, die voor de onderhoudskosten bij de gemeente aanklopt.
De Franse clerus zelf krijgt een tussenkomst van de staat van 950 euro per maand. Dit is geen salaris en er wordt dus ook geen belasting opgegeven. Voor zijn tekorten dient de pastoors bij zijn congregatie aan te kloppen. De Belgische priesters moeten wel voorheffing betalen en krijgen netto 1.050 euro in de hand. Erg veel verschil is dit niet, maar aan de andere kant leven ze praktisch gratis; alles wordt betaald door staat en kerkfabriek. In Nederland is de situatie nog ernstiger: daar krijgen ze niets en moeten de parochianen zelf hun gemeente onderhouden. Het gevolg is dat de kerken leegbloeden, want de beminde parochianen zijn niet geneigd hun portemonnee open te trekken (Hollandse zuinigheid?). Maar aan de andere kant verplicht dit de gemeenschappen om zich actiever en met meer persoonlijke inzet met het geloof bezig te houden. Dit sluit aan op de geest en doelstelling van het geloof. Armoede en opoffering als geloofsbelijdenis.
In elk geval moet er dringend iets aan de situatie gedaan worden. We zien dat overal ter wereld het denkbeeld veld wint, dat religiën en staat gescheiden moeten zijn, en ze hun eigen boontjes moeten doppen. Het schrikbeeld van de starre islam is daar waarschijnlijk niet vreemd aan.

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

DE MEDIA

Eerst was er de geschreven pers. Het klinkt zo oubollig, de geschreven pers. Het woord ‘pers’ stamt nog uit de tijd van Plantin en Moretus. ‘Geschreven’ is ook al zoiets. Het roept een beeld op van een hand die een ganzenveer vasthoudt. Binnenkort zal zelfs het getik op het klavier moeten inboeten ten voordele van spraakherkenningsoftware.
Maar de geschreven pers blijft hardnekkig aan zijn tradities vasthouden. Het is dan ook een traditie die kan tellen. Zonder de kranten (het dagblad zoals de gangbare term is in Vlaanderen) is er geen democratie mogelijk. Vrije meningsuiting en beperking van onwetendheid, twee van de belangrijkste elementen die een democratisch bestuur uitmaken. De vinger op de wond durven leggen. Kritisch volgen van wat de bewindvoerders, de decision makers, ervan maken. Een blik op de wereld buiten ons dorp.
De geschreven pers koestert deze prestaties en verworvenheden. Ze wil die nobele overlevering voortzetten. Dat is prima, het strekt de krantenuitgevers tot eer.
Maar zij zijn blind voor de ontwikkeling van de informatieverstrekking. Of ze willen het niet weten, maar de krant is stilaan aan het verdwijnen. Een dramatische ontwikkeling die ze niet hadden voorzien. Daar staan ze nu, met hun dure drukpersen, hun dure journalisten en nieuwsagentschappen. Die moeten betaald worden, maar de inkomsten blijven jaar na jaar dalen. De kosten echter blijven stijgen.
Dit is een ontwikkeling die niet reciproceerbaar is. De krant is oubollig. De Facebook generatie vindt die drukinkt die aan je vingers blijft plakken, maar vies, en dat leesformaat is ook niet zo handig.
De weerslag daarvan zien we in de reclame-inkomsten, van oudsher de voornaamste bron naast de verkoop zelf. Ze daalden met 21% in 2009 in vergelijking met 2008. Reden: zowel tv als internet trekken adverteerders aan, en dat gaat ten koste van de krant. Er moeten dus dringend nieuwe bronnen aangeboord worden. We nemen er enkele onder de loep.
Gratis dvd’s en boeken. Wat hebben die met de berichtgeving te maken? Gaan ze daardoor meer klanten verwerven? I don’t think so. De kopers die op deze merchandising springen zullen na de actie niet halsoverkop een abonnement nemen.
Subsidies. Een heikel onderwerp waarover de uitgevers het liefst zwijgen. De staatskas die de dalende inkomsten moet opvangen. Daar zit iets kroms in: vrije meningsuiting en tegelijk eten uit de staatsruif. Je gaat de hand niet bijten die je te eten geeft. Natuurlijk mag de staat geen perscensuur opleggen; dat zou de structuur van het beleid ondermijnen. Maar de staat kan wel de berichtgeving kanaliseren. Soms kan die berichtgeving eenvoudig niet gestopt worden, zoals met de pedofilietoestanden in de Kerk. Maar de hoofdredacteur kan een telefoontje krijgen van een of andere magistraat die hem vertelt niet verder meer te graven als het heetijzer te heet wordt.
Sensatie. Een krant drukt een titel van een hoofdpagina in reuzenletters af. Meestal gaat het om zware criminele feiten. Het belangrijke buitenlandse nieuws verdwijnt ergens in de achterhoek. Dit moet lezers lokken. Impulsaankoop. Een krant kost tenslotte niet zoveel. Er wordt verwezen naar pagina 3. Je gaat die pagina eerst niet zitten lezen voor je hebt betaald. Pagina 3 blijkt niet meer te zijn dan de hoofdtitel uitgesmeerd in een aantal kolommen. Je wordt er niet veel wijzer van. Dit is de techniek van het tabloid. Onderbuikjournalistiek. Het vechten om de gunst van de klanten. De krant als marktkramer. Of als straathoer.
Stelen en delen. Er bestaan geen onderzoeksjournalisten meer op de krantredactie. Het uitspitten van zaken is tijdrovend en duur. Dus zitten de journalisten aan hun computerscherm gekluisterd en pluizen het internet uit. Ze hoeven de straat niet meer op, maar worden wel verplicht een aantal onderwerpen per dag te produceren, want de krant moet vol. De krant wemelt van de verzonnen, oppervlakkige en onnauwkeurige artikelen. Nu gaan we daar niet wakker van liggen. Onze krant is in de eerste plaats een manier om ons te ontspannen. Daarna vergeten we het nieuws. Het is toch al een dag oud.

De mug wordt een olifant. In 1999 opperde een computerspecialist dat de overgang naar 2000 weleens wat softwareproblemen zou kunnen opleveren. Binnen een maand stonden de kranten bol van rampenberichtgeving. Heel het computernetwerk zou crashen, vliegtuigen zouden neerstorten, treinen op elkaar botsen en zelfs de voedingsdistributie zou niet meer werken. Er gebeurde niets. Dit was een broodjeaap die kon tellen. Maar de verkoop was positief en daar ging het om.
De nieuwsagentschappen. Voor het internationale nieuws zijn de lokale kranten aangewezen op de nieuwsagentschappen. De belangrijkste zijn Amerikaans. Het spreekt dus vanzelf dat het nieuws door Amerikaanse ogen wordt bekeken. Het nieuws uit het buitenland is gekleurd. Het is eenzijdig. Je krijgt geen nieuws over het leed van de miljoenen Irakezen, wel van de enkele soldaten die pech hebben en op een mijn stappen. Er zijn voortdurend tientallen gewelddadige conflicten aan de gang in de wereld, maar daar hoor je niets van. Ook nieuwsagentschappen hebben met kosten te maken. Ze kunnen niet overal een vaste vertegenwoordiger neerplanten. Vooral niet als er geen Amerikaanse belangen mee gemoeid zijn.
Na 9/11 infiltreerde de C.I.A. in bijna alle landen ter wereld, zette eigen nieuwsorganisaties op, kocht bestaande op, of plaatste een mannetje in alle media. In België bezitten ze de Brussels Times. Ze heeft op haar loonlijsten redacteurs, journalisten, tv-presentatoren staan en beschikt daarvoor over een budget dat groter is dan dat van de grootste nieuwsagentschappen samen, waarin ze trouwens ook een wit voetje hebben. Ze schrijven zelf de teksten van hun artikelen en reportages en laten die in hun medianetwerken opnemen. Bijna op hetzelfde ogenblik verschijnen die artikelen dan in diverse kranten, tv- en radiozenders, internetsites en hun eigen blogs. Ze noemen het in het jargon ‘media placement.’
Aandeelhouders. Kranten zijn privé ondernemingen. Ze zijn een deel van een groep, die meestal ook nog andere activiteiten heeft. Elk onderdeel moet winst maken. Ze moeten dividenden kunnen uitkeren. Het spreekt vanzelf dat de aandeelhouders niet zo happig zijn als de kranten berichten produceren die een aantal lezers kwaad kunnen maken waardoor ze dan afhaken. De kerk in het midden houden en tijdig ermee ophouden, dan is iedereen content.
TV en radio. Tv-nieuwsredacties hebben een beperkte zendtijd. Dus moeten ze selecteren, triages verrichten. Hun teksten moeten de beelden ondersteunen, en niet omgekeerd. De beelden verdringen de boodschap. Tv-nieuws is zowat de slechtste berichtgeving die er bestaat. Tv-nieuws is kijkamusement. CNN, Aljeerha, typische nieuwszenders die het nieuws naar een hoog showgehalte hebben getild. Of neergehaald.
De invloed van de radio is naar de achtergrond verdrongen. Er zijn geen luisteraars meer die met hun oor aan de luidspreker gekluisterd zitten. Er wordt niet meer actief geluisterd naar radionieuws. Er wordt nu eenmaal te veel gelult, daar knap je van af.
De klassieke media zijn gekleurd. Ze hangen hun wasgoed naar de wind. Voor elck wat wils, ook als dit uitmondt in cynisme, vervalsing en flagrante onwaarheden. Kunnen we eigenlijk nog van de media spreken als de voortrekkers van de vrije meningsuiting? Van democratisch recht op de waarheid? 
Kunnen we aan onvervalst, waarheidsgetrouw nieuws geraken? Nieuws vanuit een andere hoek dan nieuws dat verder reikt dan de belangengroepen?
Het internet. Oké, de meeste krantengroepen hebben een eigen website, maar daar lees je hetzelfde als in de papieren krant. De Standaard biedt zijn klanten haar archief aan, maar je betaalt er een papieren jaarabonnement voor. De krantennieuwssites zouden perfect geschikt kunnen zijn voor onderzoeksjournalistiek, als een aanvulling voor de papieren versies, maar dat gebeurt niet. Ook De Standaard waagt zich hier niet aan. Ze heeft het al moeilijk genoeg om geld bijeen te rapen, laat staan om duur onderzoek te verrichten.
Nu is het niet zo gemakkelijk om objectieve en juiste berichtgeving op het internet te vinden, hoe paradoxaal dat ook klinkt. Het internet is een vergaarbak van miljoenen websites waar een kat haar jongen niet in vindt. Toch zijn er enkele uitspringende fenomenen die het nieuws op het internet naar een ander niveau tillen:
Google, de grootste zoekmachine. Daar kun je een hoop elkaar tegensprekende berichten vinden, die je oordeel dus meer nuanceren. Je moet wel oppassen dat je niet met een vermomde nieuwsgroep te maken krijgt die voor een gunstige rangplaats betalen. Die scoren de meeste hits en beginnen dus bovenaan.
Wikipedia, de vrije encyclopedie, geboren uit Web 2.0, internetsoftware die interactiviteit mogelijk maakt. Je kunt je eigen bijdragen leveren. Omdat verse artikelen tijd vragen om ze in te voeren, en er tegenwoordig ook controle op staat, heeft het meer weg van klassieke berichtgeving. Politiek geladen onderwerpen of berichten die geen encyclopedische waarde hebben, kunnen geweerd worden.
Andere Web 2.0 toepassingen zijn sociale netwerken, zoals Facebook, dat de rol heeft overgenomen van de nu al klassieke BBS, beter bekend als forums. Enkel gespecialiseerde forums zullen overblijven, met een eigen aanhang.
Youtube en dergelijke wat videoboodschappen betreft. De ontwikkeling van de smartphone en de 3G-netwerken stelt de gebruiker in staat om vliegensvlug een videofragment op het web te zetten. Of de nieuwe technologie de kwaliteit van de nieuwsgaring zal opstuwen, blijft een open vraag. De berichtgeving is chaotisch en werkt sensatie in de hand.
Ook YouTube wordt een belangrijke concurrent voor het tv-nieuws. Maar ook hier is het een heksentoer om al die miljoenen clipjes in goede banen te leiden en het kaf van het koren te scheiden.
Broadcastr verzamelt geluidsclips zoals YouTube video verzamelt. Gebruikers kunnen hun verhalen uploaden, gids in hun woonplek spelen en aan burgerjournalistiek doen. Uiteraard ontbreken ook de historische geluidsfragmenten niet.
Dan is er het blog, afkorting voor weblog, zoals dit, dat ook van deze technologie gebruik maakt. Het blog, een fenomeen dat einde jaren negentig is opgedoken, kan de voornoemde nadelen perfect opheffen. Het kan gebruikt worden door integere journalisten om hun eigen opinie neer te pennen. Een eigen opinie is natuurlijk subjectief, maar omdat die soms haaks op de officiële berichtgeving staat, wordt die subjectiviteit opgeheven. We kunnen de zaak vanuit meer dan een hoek bekijken.
Zo’n blog is gemakkelijk op te zetten en te onderhouden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Een blog kan zich specialiseren. In tegenstelling tot de krant, hoef je je eerst niet door allerlei katernen te worstelen. Je gaat direct naar de kern. Geen tijdverlies. Een blog kan elke minuut geüpdatet worden. Het nieuws is echt nieuws, geen oudbakken opgewarmde berichten die door de verschillende traditionele media worden herkauwd.
De lezer kan er actief en alert op reageren, zelf meteen aanvullingen en commentaar leveren, terwijl de papieren krant je bericht eerst onder de loep wil nemen en soms dagen later wordt gepubliceerd.
Je kunt je mening ook illustreren met beeld en klank. Een blog is een krant waarin videoclips kunnen opgenomen worden. Je kunt nieuws verspreiden via de telefoon. Twitter is eigenlijk een blog.
Er zijn verschillende soorten blogs. Je hebt de blogs door professionele journalisten bedreven en de blogs door amateurs. Het is vooral dit, in het jargon de burgerjournalistiek, dat veelbelovende toekomstaspecten biedt. Zo speelden blogs een belangrijke rol in de periode dat de aanslag op de Twin Towers in New York gepleegd werd. Terwijl traditionele nieuwssites door de ongekende belangstelling al snel onbereikbaar raakten, deden bloggers verslag van de gebeurtenissen die bij sommigen vrijwel onder hun ogen plaatsvonden.
Daar zal de strijd zich afspelen tussen de papieren en de digitale nieuwsgaring. Een blog zou weleens de opvolger kunnen worden van de papieren krant.

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

woensdag 2 februari 2011

SOCIAAL VERZEKERD!

België, net als alle welvarende Europese landen, kijkt verwonderd toe hoe de republikeinen in de Verenigde Staten erin slagen de voorstellen om de sociale zekerheid te verruimen te boycotten. Er is toch niets slechts met de sociale zekerheid die de mensen uit de armoede houdt en ervoor zorgt dat solidariteit tussen de sociale groepen geen loos woord is?
Wij zijn zo gewend aan onze verzorgingsstaat dat we niet meer weten waarvoor de sociale zekerheid in de eerste plaats dient. In elk geval niet om de middenklasse, die goed haar weg in het labyrint kent, te laten profiteren. Ook niet om langdurige werklozen te kweken. Of exorbitante pensioenen uit te keren. Ze was bedoeld om de armen een helpende hand te geven. Je kunt een zeilboot die aan lagere wal ligt niet meer op het water krijgen. Daar heb je een gunstige wind voor nodig.
Maar de sociale zekerheid is ontspoord. Politieke partijen spelen Sinterklaas en delen met kwistige hand noten uit aan wie het wil. Wat ze met de ene hand uitdelen, nemen ze terug met de andere, door de belastingsdruk te verhogen. En dat vrezen de Amerikanen. Het wetsvoorstel om 35 miljoen minderbedeelden betere zorg te verlenen werd afgeketst. Wat een onmensen zijn die Amerikanen toch.
Maar ze hebben goede redenen om sociale zekerheid op zijn Europees te vrezen.
Europeanen zijn lui geworden. Zelfs de europarlementairen werken hun verplichte 37,50 uren af en gaan dan naar huis. Ze houden niet meer van werken. Hun sociale vangnet beschermt ze tegen de risico’s van het leven. Het spoort ze zelfs aan om geen risico’s te nemen, want dit zou hun zekerheden schade kunnen aanbrengen. Waarom zou je zelfstandig worden als je weet dat een werknemer op zijn luie kont dubbel zoveel krijgt, zonder daar zelf moeite voor te doen. De vakbond doet dit voor hem in de plaats.
Angst voor mislukking stimuleert een mens wat een weerslag heeft op zijn milieu en het land waarin hij leeft. Dynamiek versus lethargie. Gelaten aanvaarden van je lot of er tegenaan gaan. Gemakzuchtige mensen presteren niet, of toch niet meer dan nodig. Ze zijn tevreden met hun lot. Ze zijn slaven van hun veiligheid geworden. Ze zijn verslaafd aan veiligheid en bescherming.
Die bescherming vraagt een enorm overheidsapparaat waar een kat haar jongen niet in kan weervinden. De ambtenaren horen niet tot het slag van mensen die hun handen uit de mouwen steken; ze zweren bij hun reglementen. Ze denken volgens het boekje.
Europeanen die wat in hun mars hebben stuiten al snel op een onverschillige bureaucratie. Hierdoor worden ze bijna gedwongen om hun succes in het buitenland te zoeken, en dus in het bijzonder in de Verenigde Staten. Daar is de sociale zekerheid ondermaats volgens de Europeanen.
Nu valt het best mee met het Amerikaanse zorgsysteem. 
Alle beroepsactiviteiten in de VS zijn onderworpen aan de sociale zekerheid en werkgevers houden bijdragen af. De sociale zekerheid van de VS omvat diensten zoals uitkeringen bij pensioen, overlijden en invaliditeit en werkloosheid en sociale voordelen. De gezondheidsverzekering is steeds vrijwillig en bijgevolg niet algemeen gedekt door het socialezekerheidssysteem. Vele werknemers zijn echter gedekt door een groepsziekteverzekering die wordt afgesloten door hun werkgever. Onder bepaalde omstandigheden draagt de werkgever de kosten of worden ze verdeeld tussen werknemer en werkgever. Je hebt echter een bijkomende ziekteverzekering nodig aangezien vele medische behandelingen en geneesmiddelen niet gedekt zijn door zulke werkgeversverzekeringen. Je doet er dan ook goed aan de verschillende aangeboden stelsels te vergelijken aangezien de omvang van de voordelen erg verschilt van verzekeringsmaatschappij tot verzekeringsmaatschappij. Een ander groot voordeel van een bijkomende verzekering is dat je gedekt blijft indien je je job verliest. Je moet zelf voor je ziekteverzekering zorgen als je op onregelmatige basis als freelancer, interim enz. werkt.

De meeste gruwelverhalen vinden we in die sector terug. Ach, als je pech hebt, is het hier niet veel beter. Als je niet bij de sociale zekerheid geregistreerd bent, moet je ook heel wat afdokken om een ziekenfonds te vinden. Mensen moeten zich hier ook blauw betalen aan medicijnen die niet in de nomenclatuur van de ziekenfondsen zijn opgenomen. . En operaties blijven duur, al is het maar om de nazorg. Bovendien kun je niet kiezen uit verschillende stelsels.
Bovendien wordt onze zo geprezen zorgsector door belastinggeld gespijst, wat voortdurend ter discussie ligt en wordt verzorgingspersoneel niet verondersteld het werk neer te leggen, alsof ze eerder uit roeping dan uit noodzaak werken.

Wat de Amerikanen vooral als bedreigend aanzien, is het groeiend aandeel van de overheid in hun leven. Ze willen persoonlijke vrijheid, daar hebben hun voorouders alles voor in de steek gelaten, daar moeten ze elke dag nog voor vechten. Ze weten hoe nefast een sterke staatsinmenging zal zijn voor de rechten die in hun amendementen staan beschreven. Ze zijn bereid te vechten voor hun rechten en dat weet de staat ook.
Bijna een miljoen Belgen werken rechtstreeks bij de overheid en een hoop meer is afhankelijk van overheidsdiensten. De overheid is de grootste werkgever, niet de bedrijven uit onze topsectoren, waar de belastingen vandaan komen om de ambtenaren te kunnen betalen.
Er is heel wat frustratie in dit land, mensen die met hun plannen tegen muren aanlopen. Muren van papier, van reglementen. Je wordt bang om iets te beginnen, want je weet nooit waar dit toe kan leiden. België staat achter de Verenigde Staten in het lijstje van de beste landen om iets van je leven te maken. Qua zelfmoordcijfer staan we hoger. Hoe komt dit? We hebben toch een betere sociale zekerheid dan de Amerikanen?
Kennelijk is het geluksgevoel minder afhankelijk van de manier waarop de samenleving ons leven uitstippelt, dan wat we zelf met ons leven willen aanvangen. Persoonlijke ontwikkeling versus een veilig bestaan.
Amerikanen zijn dus minder beschermd dan Europeanen. Hoe komt het dan dat we zo weinig horen van emigrerende Amerikanen? Misschien wel naar Mexico of Hawaï, voor het goedkope leven en de zon, maar niet naar Europa. Misschien is Amerika toch aantrekkelijker dan Europa… Dat zullen de emigranten trouwens volmondig beamen. Ook als ze niet de sociale zekerheid krijgen zoals wij die genieten.
Nog een reden waarom de Amerikanen geen Europees model willen, is de vrees dat het met hun dynamiek gedaan zal zijn, dat ze de luie Europeanen zullen volgen. Dat de inventiviteit en de creativiteit die ze in hun land kunnen uitleven, zal stranden op een berg paperassen en het betuttelende opgestoken vingertje. Dat een hoop parasieten de samenleving zullen verzieken, dat de verkeerde groepen het meest zullen profiteren.
Als een Amerikaan mislukt, gooit hij zand erover en begint opnieuw. Europeanen bekijken mislukkingen met een meewarige blik. Was hij er maar niet aan begonnen… Eigen schuld, dikke bult.

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

maandag 31 januari 2011

10 JAAR EUROZONE

Europa, of preciezer: de Europese Unie, een gebied groter dan India, met 27 lidstaten die de parlementaire democratie omhelzen en een gemeenschappelijk handelsbeleid vormen. Een Europees parlement en een eigen grondwet. Een Unie van bijna een half miljard inwoners, die de vrijheid van reizen, wonen en werken binnen het gebied genieten.
Dat vertelt de informatiedienst van de EU ons. Klopt dit beeld?
Niet volledig.
De EU is er gekomen na de Tweede Wereldoorlog toen het duidelijk was dat de Verenigde Staten de wereldeconomie dicteerde. Dit was niet naar de zin van de Europese leiders. Zij zochten toenadering tot elkaar. Dat waren eerst Duitsland en Frankrijk. Niet toevallig: het probleem wie het meest mocht profiteren van het rijke industriële Elzasgebied, dat voorheen enige keren van eigenaar veranderd was, moest eens en voorgoed opgelost worden. Frankrijk stelde aldus Duitsland (West-Duitsland omdat de Sovjet-Unie het oostelijke deel had ingepalmd) voor om het gebied economisch gemeenschappelijk te maken. Vroeger aartsvijanden, nu vrienden uit noodzaak. Ze kregen ook Italië mee, Duitslands bondgenoot tijdens de Tweede Wereldoorlog, en de kleine landen België, Nederland en Luxemburg omdat hun economie nu eenmaal sterk afhankelijk was van de grote Europese spelers.
De bedoeling was, naar analogie met de Verenigde Staten, één grote vrije markt te vormen waarin de handel zonder veel overheidstussenkomst kon floreren, ten bate van de bankiers, industriëlen en fabrikanten.
Tot zover het begin van de successtory. Dat liep vrij goed, zelfs de introductie van de euro als eenheidsmunt in 2001 leek niet veel problemen op te leveren.
Wat het werken en leven in een lidstaat betrof, viel het wat tegen. In 1993 werd de grenscontrole tussen de lidstaten afgeschaft, zodat de inwoners zich gemakkelijker ergens anders konden vestigen. Er kwam inderdaad een volksverhuizing op gang, maar dat was hoofdzakelijk eenrichtingsverkeer vanuit de arme deelstaten. Gelukzoekers en lastige klanten gingen richting westen om van de rijkdom en sociale zekerheid te genieten. Ze mengden zich tussen de plaatselijke bevolking die er niet op zat te wachten en zorgden voor een nieuwe toevloed van werklozen, criminelen en OCMW-overlast, en versterkten het onveiligheidsgevoel. Mensen uit landen waar je vroeger nooit van gehoord had en die een taal spreken waar je geen knoop aan vast kunt maken, blijken plots je buren te zijn.
De zo geroemde vrijmaking van de energiemarkt blijkt niet aan te slaan. De meeste klanten blijven bij hun oude leverancier. De nieuwe gebruiken het goedkopere tarief als lokmiddel, maar de verschillen onderling zijn gering of verwarren de klanten.
Ook het vrije goederenverkeer blijkt een maat van niets. Oké, we krijgen nu consumptiegoederen in onze supermarkt waarvan we vroeger het bestaan niet wisten of die goedkoper zijn dan wat we gewend zijn. Maar dat geldt enkel voor goederen die voor de staatskas niet veel uitmaken. Als het gaat om, bijvoorbeeld, de auto, ziet de zaak er heel anders uit. Deze melkkoe moet angstvallig in eigen land blijven. De lidstaten kunnen geen invoerrechten meer aanrekenen, dus zorgen zeervoor dat de aankoop van auto's in het buitenland zoveel mogelijk red tape ondervindt om de klant te ontmoedigen. Dit geldt trouwens ook voor andere producten die elders goedkoper gekocht kunnen worden. Denken we aan verzekeringen en kredieten. Die kun je niet fiscaal aftrekken.
Tien jaar na de invoering van de euro zien we een heel wat minder florerend beeld dan wat de eurocraten ons willen doen geloven.
Om te beginnen hebben niet alle deelstaten de eenheidsmunt aanvaard. De zogenaamde eurozone bestaat uit 17 landen. 10 willen er (nog) niet van weten, waarvan Groot-Brittannië de meest opvallende is. Het is onwaarschijnlijk dat ze binnen korte termijn ook tot de zone zullen toetreden. De economische terugval waarin de zwakkere broers zitten is duidelijk het gevolg van de eenheidsmunt die de rijkere broers bevoordeelt. Er is geen monetaire truc meer voor deze landen, die anders hun eigen munt konden devalueren en daarmee sterke valuta konden binnenhalen. De euro is een slechte zaak voor een aantal Eurolanden.
Duitsland, de rijkste lidstaat, heeft een bruto nationaal product dat drie keren hoger is dan dat van Bulgarije of Roemenië. Dit is onoverbrugbaar. De rijke landen ondervinden daarvan de gevolgen van deze schrille ongelijkheid. Ze moeten proportioneel meer bijdragen tot de verdeling van de euro-uitgaven, waardoor er geen kans bestaat om een stabiel economisch beleid te voeren. Sinds 2001 is de algemene inflatie met 16% gegroeid.
Hoe zit het trouwens met onze kredietwaardigheid?
Die is ook erg ongelijkmatig verdeeld. De AAA-landen (financiëel sterk) zijn Nederland, Duitsland, Finland, Oostenrijk, Luxemburg, Frankrijk. België zit in de groep met Spanje en Slovenië. Daarachter sukkelen Ierland, Estland, Slovakije, Portugal, Italië, Malta, Griekenland en Cyprus. We zitten dus in de middennoot. Niet iets om trots op te zijn.
Als we alle eurozonestaten globaliseren krijgen we dus 6 solvabele landen op 17 leden.
Dit terzijde: Europa moet trouwens niet zo hoog van zijn toren blazen als het om economisch succes gaat. Ze kunnen de Verenigde Staten en Japan nog altijd niet naar de kroon steken. Als deze toestand blijft aanhouden, zullen nog andere kandidaten zich aanmelden. We denken maar aan China, India en Brazilië.
De euro is geen internationaal succes. Voor de Verenigde Staten is het een curiositeit die geen indruk maakt. De waarde van de euro wordt kunstmatig hoog gehouden om de Europese export te steunen, maar tegelijkertijd blijft de euro sterk afhankelijk van de dollar. Dat zagen we tijdens de bankrecessie, toen Europa in allerijl zijn eigen financieringsmarkt moest steunen.
Wat er dankzij de eenmaking wel verbeterd is, zijn de controleorganen. De nationale politie, defensie en staatsveiligheid werken nauwer samen en wisselen sneller informatie over criminaliteit uit. Of dit een gunstige evolutie is, zal de toekomst uitwijzen. De tijd dat iemand, op de vlucht voor schuldeisers, een nieuw bestaan in een ander Europees land kon opbouwen, is definitief voorbij. Vluchten kan niet meer.
Ook met de democratie wordt door sommige lidstaten een loopje genomen. Ze willen wel aansluiten maar nemen het niet zo nauw met de regels. De mensenrechten zijn een heet hangijzer in Bulgarije, Roemenie, en Turkije. Albanië staat op de lijst van de nieuwe kandidaten, een land dat van oudsher een roversnest is.
Maar Europa trekt zich daar niets van aan. In zijn honger naar nog meer Lebensraum om met de Verenigde Staten te kunnen concurreren, heeft het haar oog laten vallen op landen als Oekraïne, IJsland, Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland. De eerste stelregel om aanvaard te worden als lidstaat is dat het om een Europees land gaat. Als je dit lijstje bekijkt, heb je toch wel enige twijfels. Ik denk dat Marokko, dat afgewezen werd, toch wel Europeser is dan Azerbeidzjan, al is het maar omdat naar schatting vier miljoen ervan in Europa wonen, of spelen andere argumenten een rol? Schending van de mensenrechten misschien? Dan zou Frankrijk ook wel eens aan de oren getrokken mogen worden…
Of spelen oliebelangen een rol? Dat zal Rusland niet graag horen... Misschien krijgen de golfoorlogen nog een Europese nasleep.
De eurocraten die intussen tot 170.000 zijn aangegroeid, kunnen het allemaal niet meer aan. Daarom zoeken ze hun toevlucht tot gebods- en verbodsregels. De Unie doet denken aan China. Een door een almachtig staatsapparaat geleid land met een kapitalistische economie. Aan de ene kant gulle schenkingen en aan de andere kant een lawine van wetten, regels en verordeningen. Niemand kan er nog aan uit. Europa verstrandt in een star beleid dat uiteindelijk haar ondergang kan betekenen. Misschien moet het eens ten rade gaan bij China…

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

zaterdag 29 januari 2011

DEMOCRATIE

Egypte is in oproer. Tenminste, de jongeren zijn dat, wat hun goed recht is. Je ziet heel weinig vrouwen op straat. Is dit een roep naar democratie? Naar meer vrijheid?
Naast de sensationele beelden over de uit de hand gelopen mensenmassa’s en de geagiteerde agitators die ons zoals gewoonlijk niet veel wijzer maken, valt mij het meest de reactie van Martine Tanghe van de vrt-nieuwsredactie op: wordt Egypte nu democratisch?
Afgezien van deze nogal naïeve vraag, moeten we ons eerst buigen over het begrip democratie. Deze bestuursvorm heeft de persoonlijke vrijheid als premisse. De overheidsbetutteling wordt in de hand gehouden door de scheiding van de machten.
Nu is dit systeem enkel mogelijk in landen die er alle belang bij hebben om de staatscontrole in te dijken. Dit zijn de landen die de vrije handel in het vaandel dragen. België, Nederland, Groot-Brittannië en de Scandinavische landen worden van oudsher parlementaire democratieën genoemd, maar ze hebben ook een monarchie. En we weten dat monarchieën systemen zijn die door bloedbanden verbonden zijn in plaats van op mérites. Duitsland, Turkije en India zijn nog maar kort democratisch en steunen nog altijd op een sterke leidersfiguur. Hiermee hebben we het zowat gehad. De andere landen hebben een mengvorm of een andere definitie van wat democratie is. Noord-Korea noemt zich ook democratisch. De Verenigde Staten zelf, dat zich als kampioen van de politieke vrijheid heeft uitgeroepen, heeft grote onderlinge verschillen over de toepassing ervan. Bovendien is er een vierde macht die mee bestuurt: de grote corporations.
Wat bedoelt Martine Tanghe dus eigenlijk als ze over democratie spreekt? Het recht op vrije meningsuiting misschien? Dat heeft ieder land, maar het een mag zich wat meer permitteren dan het ander. Dat hangt af op welke zere tenen je trapt. En zelfs als je de technologische communicatie uitschakelt heb je nog altijd de lippendienst, die soms veel efficiënter is.

Egypte hoort in elk geval niet thuis in het rijtje van parlementaire democratieën. Het heeft een politiek systeem dat vergelijkbaar is met dat van Frankrijk, dat door Martine Tanghe waarschijnlijk ook als een westerse democratie wordt gerekend. Het is twintig maal armer dan België en krijgt zijn inkomsten hoofdzakelijk uit toerisme, olie en voedingsmiddelen. Daartegenover moet het dure machines, wapensystemen en consumptiegoederen importeren, waardoor het een negatieve handelsbalans heeft met als gevolg een galloperende inflatie en stijgende leefkosten. De Egypenaren hoeven geen westerse democratie; ze willen dat de broodprijs, de huisvesting en de kosten van de trouwpartij niet opslaan.

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

vrijdag 28 januari 2011

NIEUWS IS GEEN NIEUWS

Journalist Robin Ramaekers heeft bij een reportage in oktober in Haïti geknoeid met geluidsopnames. Daardoor leek het alsof er geschoten was op de VRT-ploeg tijdens opnames in een tentenkamp. Dat schrijft De Morgen.
De vrt-journalist die wegdook voor ontploffende kogels die er naderhand digitaal aan toegevoegd werden, openbaarde een fenomeen dat al lang aan de hand is: de manipulatie van tekst en beeld.
Het nieuws is niet wat het is.
Laten eens enkele scenario’s naderbij bekijken.
Oorlogsscène: de correspondent haast zich naar de vuurlinie om er een boeiende reportage te maken. Hij vergast zijn kijkers op ontploffende granaten en zoevende kogels.
Dit is niet mogelijk Oorlogscorrespondenten krijgen een pasje voor ze naar het oorlogstoneel mogen gaan. Dit pasje krijgen ze enkel als ze beloven geen schokkende beelden te filmen en getuigen te ondervragen die negatief zijn voor de oorlogvoerende partij. Dit zou het thuisfront kunnen wakker maken en vervelende vragen oproepen. Dus zit de journalist kilometers ver van het strijdtoneel, in een comfortabel hotel te wachten op berichten van de militaire pers. Het is dus onmogelijk dat hij onder schot komt en met nieuws voor de dag komt dat niet door de militaire censuur is vrijgegeven.
En als ze toch per toeval in de gevaren raken, worden ze al snel opgepakt en weggevoerd naar vrediger oorden.
Betoging: een honderdtal betogers verzamelen zich op een afgesproken plek. Ze zijn rustig en wachten op wat komen moet. Er komt een cameraploeg aan. Dit werkt als een rode lap op een stier. Plots schieten de betogers wakker en beginnen slagzinnen te scanderen en misbaar te maken. De camera neemt dit alles op, liefst vanuit de verte en met een zoomlens. Hierdoor lijkt het alsof we met vijfhonderd eenstemmige betogers te maken hebben. In de montagekamer worden dan snel nog wat oneffenheden weggeknipt, zoals lege plekken, waar dus geen betogers staan.
Opstootje: de journalisten duwen de woordvoerders van de betoging een microfoon onder de neus. Deze zien dat ze serieus worden genomen. Ze willen de wereld tonen dat ze het menens zijn en nemen een dreigende houding aan, een pose die voor de camera goed overkomt. De ordediensten arriveren en gooien nog wat olie op het vuur. Aangemoedigd door de media beginnen sommige betogers aan een spoor van vernieling. Auto’s worden beschadigd, winkelramen sneuvelen, dat alles wordt gretig opgenomen. Als er vuur bij te pas komt, zoveel te beter. Dat oogt lekker. Op tv lijkt het alsof de hele straat in Palestijns grondgebied ligt, hoewel het om enkele randgevallen gaat. De camera is tevreden.
Vluchtelingen: een massa mensen zit apathisch te wachten op de hulp. De camera zoekt aangrijpende beelden. Kinderen spelen, zoals overal ter wereld, bekommeren zich niet om de ellende. Die mogen niet gefilmd worden. Volwassenen zijn bezig elkaar te helpen om de ergste nood te lenen. Ook die mogen niet gefilmd worden. De reportageploeg neemt het heft in handen en haalt zielige mensen uit de massa en zet ze samen voor een mooie close up. De moeders krijgen wat toegestopt en knijpen hun baby’s in de billen zodat die beginnen te huilen. Weer een mooi shot voor het thuisfront, en als er giften gevraagd worden, worden kinderen uitgekozen die er al zielig uitzagen voor ze op sleeptouw genomen werden.
Dit is maar klein grut van wat er ons in de nabije toekomst te wachten staat: Computeranimatie.
Wie de moderne actie/avonturenfilms volgt ziet heel goed waar we naar toe gaan: een symbiose tussen computerbeelden en echte beelden. Het onderscheid valt daarbij stilaan weg. De nieuwsgaring valt daar gretig op aan, want beelden moeten spektakel bieden, anders kijkt er geen kat naar.
Om nog eens terug te komen op de vorige voorbeelden:
Oorlogscène: Ramaekers heeft op een eenvoudige manier wat inslaggeluiden bijgevoegd, maar in de toekomst zullen we echte oorlogsbeelden van vroegere gevechtscènes gemonteerd zien waarbij we niet meer kunnen vaststellen of de journalist in de vuurlinie zit of in de studio.
Betoging: honderd man kunnen er vijfhonderd worden, gewoon door de koppen digitaal te kopiëren en bij de echte in te lassen.
Opstootje: de betoging kan in de studio of de captatieauto vermengd worden met echte stadsbeelden op de achtergrond, bv van het Brusselse parlement of vanuit een achtergestelde buurt, naargelang de betogers sympathiek of niet overkomen.
Vluchtelingen: de mensen kunnen digitaal worden uitgemergeld zodat ze er zielig uitzien en de hulporganisaties nog meer geld kunnen lospeuteren
Of dit in België het geval zal worden, weten we niet. Het hangt van het prijskaartje af maar ik kan me voorstellen dat in het land van de moderne technologie, Amerika dus, zulke zaken zich ongetwijfeld zullen voordoen. Europa zal deze zonder veel kritiek beelden overnemen.
Nieuws is niet meer betrouwbaar. Je moet het met een korreltje zout nemen, je moet er wat cynisch tegenaan kijken. De tijd van de objectieve, waarheidsgetrouwe nieuwsgaring is definitief voorbij.
De nieuwsshow maakt zijn intrede.