donderdag 17 februari 2011

OP NAAR DE VERKIEZINGEN (?)

Het is nu officieel. We hebben het wereldrecord van het land dat het langst zonder regering zit. We komen in het recordboek, naast de free hugs en het voortslepen van een bus met het gebit. Wij zijn een bananenland geworden geregeerd door apenkoningen. En binnenkort zullen we weer braaf in het rijtje voor het schoolgebouwtje staan om te mogen/moeten kiezen.
Wij nemen de gelegenheid te baat om deze voor te bereiden door het licht te werpen op onze politieke partijen. België is een land dat door politieke partijen wordt bestuurd. De partijen zijn dus de baas. De partijvoorzitters zijn de spreekbuizen en sommigen regeren als potentaatjes. We zullen ook op die ons licht laten schijnen.
De politieke partijen hebben de laatste jaren een verjongingskuur ondergaan. De oude garde heeft het vaandel aan zijn zonen en dochters overgelaten (in de helft van de gevallen klopt dat ook – Belgische politiek heeft wat last van nepotisme) en tegelijk de namen van de partijen aangepast. Laten eens onder de loep nemen wat de spin doctors en de reclamebureaus ervan gemaakt hebben, want dit is nodig. De helft van de Belgen weet niet wat die duistere afkortingen betekenen, en de andere helft praat nog altijd over de CVP en de SP.
We starten met de partij die de meeste stemmen haalde bij de laatste federale verkiezingen.
NV-A - staat voor Nieuwe Vlaamse Alliantie.
Wat betekent dat eigenlijk? Nieuw: als tegenover oud. We hebben dus duidelijk met iets nieuws te maken. Of gaat het om oude wijn in nieuwe zakken? De partij voert als slagzin: een jonge partij die vorm geeft aan een modern, toekomstgericht en democratisch Vlaamsennationalisme. Modern, toekomstgericht, democratisch… Hmm. dat zijn slogans die elke partij gebruikt, nietszeggend en vrijblijvend. Je kunt geen stemmen winnen met oubollig, nostalgisch, autoritair, toch?
Maar raad ‘s: dat is precies waar NV-A voor staat, een nationalistische en conservatieve partij, geleid door een man met dictatoriale trekjes. We bekijken die man eens van naderbij. 
Bart De Wever (1970), partijvoorzitter sinds 2004, is historicus van opleiding (licentiaat K.U.Leuven en UFSIA, aggregaat K.U.Leuven). Als student was hij lid van het Liberaal Vlaams Studentenverbond, het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond Antwerpen en KVHV Leuven en hij is oud-hoofdredacteur van Tegenstroom en Ons Leven. Hij was een tijd verbonden aan de K.U.Leuven als wetenschappelijk medewerker en werkte daar mee aan de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Hij was lid van de Volksunie, en na de ontbinding daarvan, ging hij over naar de NV-A waar hij de gebruikelijke politieke sprongen maakte (district, gemeenteraad, partijbestuur, parlement) voor hij voorzitter werd. Hij stamt uit een Vlaams-nationalistisch nest. Hij is conservatief, katholiek, centrumrechts, en vriend van Jean-Marie Le Pen (Front National). Hij is een sfinx die zich goed in bedwang kan houden en onverzoenlijk blijft als het om Brussel gaat. Een rabiate flamingant. Door zijn koppige njet mentaliteit zit de Belgische politiek nu al meer dan 250 dagen in een impasse.
Een alliantie is een fraai woord voor wat in de politiek een kartel heet. Voor het NV-A ontstond, ging het met CD&V in zee. Partijvoorzitter Bart De Wever kwam eind 2006 onder vuur te liggen toen hij Jean-Marie Dedecker (die later LDD stichtte) eerst binnenhaalde als nieuw N-VA-lid, maar vervolgens toch koos om het kartel met CD&V - dat niet wilde weten van Dedecker en daarop het kartel verbrak - te herstellen. De Wever was als voorzitter van de N-VA, kartelpartner van de CD&V, en één van de deelnemers aan de moeizaam verlopende onderhandelingen in 2007 voor de vorming van een nieuwe Belgische federale regering. Uiteindelijk verbrak hij de band met de CD&V wat zijn partij geen windeieren heeft gelegd.
De Wever is populair. De man aan het frietkraam die aan zijn cervelat staat te smikkelen. Vlamingen hebben iets met dikkerds die een volkse gezelligheid uitstralen, type Jean-Luc Dehaene. Doordat hij aan tv-spelletjes meedoet, heeft dat zijn populariteit nog meer verhoogd. Ook voor de vrouwen is NV-A kennelijk aantrekkelijk, want ze hebben de meeste vrouwelijke Kamerleden.
CD&V - staat voor Christen Democratisch en Vlaams.
Een benaming die nog minder vertelt dan NV-A. Christen ruikt een beetje naar dogmatisme en dus lak hebben aan veranderingen. Ze zijn tegelijk democratisch, Hmm… Een partijprogramma op basis van een religie/ideologie is nooit democratisch. De nieuwe CVP heeft trouwens nooit veel met het plebisciet opgehad. Tot 1985 sprak men over de CVP-staat. Een almachtig bolwerk met sterke bindingen aan Kerk, Koning en Kapitaal, vakbond en Boerenbond, wemelend van corruptie, politieke benoemingen en clientelisme. Die reflex is er een beetje blijven inzitten, waarvoor ze dan ook bij de verkiezingen regelmatig afgestraft worden. Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene, Yves Leterme, Marianne Thyssen, allemaal met een beetje jezuïetenmentaliteit. Ze hebben hun opleiding dan ook in de beste katholieke instituten genoten. De partij heeft iets van ‘wij hebben van dit land toch een paradijsje gemaakt’. Intussen evolueert de samenleving, maar ze slagen er nog altijd niet in – of willen er niet van weten – dat alles in vraag gesteld wordt, en dat de kiezer mondiger is geworden. Hun hoeksteen is nog altijd het gezin, waar ze dan ook de meeste stemmen uit puren, maar dat gezin begint stilaan af te brokkelen. Ze kanten zich tegen de individualisering in de postindustriële maatschappij. Ze hadden moeite met de euthanasie, abortus, de snel-Belgwet, de legalisering van sofdrugs en het homohuwelijk. In 1985 leden ze een historische nederlaag, na veertig jaar alleenheerschappij, en daarna is het niet meer goed gegaan. Terwijl het voltallige partijbestuur op hun congres zong van ‘Mooi, het leven is mooi’, crepeerden de meisjes in Dutroux’s kelder. Dat heeft ze lelijk opgebroken. Het leven was voor de meeste mensen niet zo mooi. Het werd tijd voor een imagoverbetering.
Een nieuwe tijdgeest vergt een nieuwe mentaliteit en de CD&V probeert nu haar conservatieve imago af te werpen en heeft daarvoor als boegbeeld Wouter Beke gekozen.
Wouter Beke, geboren in 1974 in een doktersgezin, studeerde Politieke Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven en behaalde zijn doctoraat daar in de Sociale Wetenschappen. Van 1996 tot 2003 was hij assistent aan de afdeling Politicologie van de faculteit Sociale Wetenschappen en nadien wetenschappelijk medewerker bij het Overlegcentrum voor Ethiek. Hij is senator en bekend als de huisideoloog. Een man met een scherp verstand, gekneed door de kristelijke leer. Hij wil naar eigen zeggen van de partij opnieuw de volkspartij maken van Vlaanderen. Hij staat voor verandering zonder het land te willen splitsen. Heeft iets van Kuifje, ook uiterlijk, en maakt weinig indruk als politiek beest, omdat hij te intellectueel overkomt. Niet bepaald de juiste stemmentrekker; een man die beter op de achtergrond zou blijven werken.
Qua aandeel van de vrouwen in de Kamer staat de partij na Open VLD.
SP.a - staat voor Socialistische Partij Anders.
Door boze tongen ook Sinterklaas Partij genoemd. De SP.a beroept zich op zijn innige band met het Volk. Dat Volk, samengesteld uit arbeiders, bedienden, kleine zelfstandigen en kleine renteniers, bestaat al lang niet meer. In de ogen van de SP vormt het nog altijd een monogaam blok dat met rode vlaggen op straat komt om voor zijn rechten te strijden. Er is nog duidelijk een nostalgische sfeer in de partijkringen. Ze hebben natuurlijk de sociale geschiedenis met zich mee. De emancipatie van de werkmens is er dankzij hun gekomen. De sociale zekerheid, de bescherming van de minderheden, het behoud van de koopkracht, zijn typische slagzinnen die telkens weer terugkeren.
De partij bleef heel lang trouw aan het nationale eenheidsfront en werkte nauw samen met de Waalse broeders. Dit werd ze niet in dank afgenomen en uiteindelijk moesten ze daarvoor zwichten en hun principes loslaten. Er ontstond een Vlaamse vleugel die zich geleidelijk van de Waalse losmaakte en een eigen koers ging varen. Een Vlaamse koers die centrumlinks koos..
Dat de SP.a ook corrupt was, kwam in 1996 aan het licht toen bleek dat Willy Claes, een van hun kopstukken, gewikkeld was in de smeergeldaffaire rond de Agusta-helicopters aankopen. In 1999 was er de dioxinecrisis waarbij enkele politieke hoofden vielen. Zowel de CD&V als de SP.a werden de kop van jut en moesten de baan ruimen. Een paarsgroene regering kwam in de plaats en tegelijk de opkomst van Groen! (toen nog Agalev, waarover later).
Patrick Janssens, nu burgemeester van Antwerpen, en baas van zijn eigen reclamebureau ontwierp het nieuwe logo van de partij en tegelijk de nieuwe naam. Hij werd daarvoor beloond met een zetel in het parlement.
De partij blijft zich aan zijn progressieve imago vastklampen, hoewel de oude garde in de personen van Louis Tobback en Freddy Willockx nog altijd een vinger in de pap te brokken hebben. Ook zij kantten zich eerst tegen de euthanasiewet, de legalisering van softdrugs en de goedkeuring van het homohuwelijk, maar toen de kleinere partijen, die deze nieuwe trends wel ondersteunden, kiezers begonnen weg te kapen, moesten ze schoorvoetend toegeven.
Er moest dus dringend iets aan die progressiviteit worden gedaan en de keus daarvoor viel op Caroline Gennez. 

Caroline Gennez (1975) kreeg haar naambekendheid eerst door te tennissen. Dat ging haar zo goed af dat ze op de Vlaamse Tennisschool werd toegelaten. Een resem jeugdtornooien in binnen- en buitenland volgden, tot een hernia op 14-jarige leeftijd een vroegtijdig einde maakte aan haar beloftevolle carrière. Daarna studeerde ze Latijns-Grieks. Ze behaalde een licentiaatdiploma in de politieke en sociale wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven. Niet bepaald wat we een links arbeidersimago zouden noemen. Ze was ook de protegé van Frank Van Den Broucke en Steve Stevaert en belandde uiteindelijk in de partijtop. Net zoals Bart De Wever mag ze een deel van haar populaire imago toeschrijven aan haar bijdrage aan tv-spelletjes.
Of ze erin zal slagen de stigma's van de partij te genezen en bij de volgende verkiezingen munt uit haar jonge zelfbeeld te slaan, is af te wachten. De oude partijleden zijn niet bepaald vrouwvriendelijk als het om de grote politiek gaat. De partij heeft het algemene stemrecht voor vrouwen heel lang kunnen tegenhouden uit vrees dat ze naar de katholieken zouden overlopen, wat niet gebeurd is. Bovendien zit ze met haar middenklasimago. Maar de oude garde sterft  en de jonge linksen zijn geen rabiate dogmavreters meer. Ze gaan skiën in de winter en naar Bangkok in de zomer. Als de SP.a haar oude adagium wil afwerpen zal dat enkel kunnen gebeuren door een meer open en  liberale koers te volgen, in de zin van wat Amerikanen verstaan onder liberals. Dan zou een samenwerking met de Open VLD weleens de beste keus kunnen zijn en Caroline Gennez de geschikte persoon om te onderhandelen.
Tussen haakjes: qua aantal vrouwelijke Kamerleden staat de partij na NV-A.
Hier zitten we dus meteen bij de volgende partij: Open VLD - staat voor Open Vlaamse Liberalen en Democraten. 
Een benaming die vragen doet oproepen. Bestaat er ook nog een gesloten/besloten VLD? Een soort van vennootschap met beperkte aansprakelijkheid? Ze hebben heel wat leden onder de kleine zelfstandigen en misschien willen ze op die manier een herkenningsfactor creëren. In elk geval is de ideologische ondertoon heel wat meer gematigd dan wat de vroegere benaming pretendeerde: Partij voor Vrijheid en Vooruitgang. Die zou de nieuwe SP.a niet misstaan. De liberalen en democraten. Waarom moest dat laatste erbij? Willen ze van twee walletjes eten? Dat zou best kunnen. De liberalen zijn erom bekend/berucht dat ze met iedereen in de regering willen stappen. Ze hebben het met andere partijen gedaan, zelfs met de vlaamsnationalisten, communisten en de groenen. Het is een partij zonder veel kleur, zonder veel dogma’s en doelstellingen. De aanhang zal dan ook nooit de omvang van de grote partijen krijgen, want je weet eigenlijk niet goed wat je ermee aan moet. Zij is eerder geschikt om de andere partijen ermee af te straffen. Als jullie je werk niet goed doen, lopen we over naar de Open VLD. Die doen het minste kwaad en we kunnen later nog altijd terug, want die zijn niet besmet met onverzoenlijkheden. Daarom blijft de VLD een comfortabele derde positie in het peloton houden, als een succesvolle knecht die trouw voor zijn meester werkt.
De VLD is vrij laat als Vlaamse partij begonnen (in 1961). Daarvoor klampte ze zich, net als de SP.a vast aan de unitaire politiek, met België als vaandel.
Wat we er ook van zeggen: de partij heeft een illustere politicus opgeleverd, Guy Verhofstadt, een van de weinige naoorlogse politici die ook konden nadenken en een beleid op lange termijn durfden uitstippelen, een echte staatsman kortom. Maar Belgen houden niet van langetermijndenken. Ze denken liever pragmatisch; daarom is Jean-Luc Dehaene zo populair geweest (we smeden het ijzer wel als het heet is). En toen Verhofstadt met een project over de privatisering van de gezondheidszorg op de proppen kwam, naar analogie met het Amerikaanse, werd hij afgestraft en verdween uit de nationale politiek om een Europese carrière te volgen. Jammer.
De huidige voorzitter is een typisch product van nepotisme: 
Alexander De Croo (1975), zoon van de wat clowneske liberale ex-minister Herman De Croo. Of zijn zoon diens politiek zal volgen, is nog niet duidelijk. Alexander komt over als iemand die in de politiek gekatapulteerd werd en daarvan nog moet bekomen. Zijn visies zijn niet bepaald duidelijk te noemen en zijn uitleg voor de tv-camera’s klinkt niet altijd erg helder. Hij heeft zich onlangs nog belachelijk gemaakt met de Basta-actie over het seksleven van de partij (zie onze bijdrage ‘Media’).
Hij is dan ook niet wat je van een beroepspoliticus zou verwachten. Hij studeerde in 1998 af als Handelsingenieur aan de Vrije Universiteit Brussel. Nadien studeerde hij een Master of Business Administration (MBA) aan Northwestern-universiteit in Illinois, Verenigde Staten. Hij werkte tussen 1999 en 2006 voor het consultingkantoor The Boston Consulting Group. Daarna richtte hij Darts-ip op, een bedrijf dat advies geeft op vlak van eigendomsrecht. Hij is senator. Welke richting hij zijn partij bij een volgende regeringsdeelname zal laten volgen is nog niet bekend. Wel pleitte hij in 2010 voor een protocollair koningschap naar Zweeds model. Dit was een gedurfde uitspraak die je eerder van het Vlaams Belang zou verwachten.
En daarmee zijn we aanbeland bij het Vlaams Belang, kortweg VB.
Deze partij heeft sinds 1978 een turbulent verleden achter de rug. Ze ontstond uit de rangen van misnoegde leden van de Vlaamse Beweging en heeft net als NV-A duidelijke voorstellingen over de toekomst van het Vlaamse volk. Haar politiek trekt aan en stoot af. Dit is niet een partij waar je braaf mee aan tafel gaat zitten. De scheldkanonnades van Filip De Winter zijn nu al legendarisch.
Een ander deel van haar aanhang vond ze onder degenen die de aangroeiende groep van ‘vreemdelingen’ een halt wilden toeroepen. Hiermee werden voornamelijk de migranten uit de Magreblanden bedoeld, waarop ze zich dan ook lange tijd focusten. Voor de rest stelde hun partijprogramma niet veel meer voor dan het voeren van haatcampagnes en het bouwen van luchtkastelen. De andere partijen hadden het niet in de gaten en lieten ze maar begaan (behalve Agalev alias Groen! die daarna hun aartsvijand werd), tot de bom barstte.
In 2003 en 2004 kregen ze gigantisch veel stemmen waarna de verliezende partijen vonden dat het tijd was om wraak namen. Ze brachten VB voor de rechter met racisme als aanklacht. Ze gebruikten daarvoor het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, dat vanaf toen voor het VB  vijand nummer 1 werd, want VB verloor het proces, ook in beroep. Het vonnis luidde: "Het Vlaams Blok is een partij die kennelijk en systematisch aanzet tot discriminatie. [...] U behandelt vreemdelingen als criminelen, boosdoeners, profiteurs, onintegreerbare uitslovers en een bedreiging van het eigen volk."
De partij werd onder luid gejuich van de opgeluchte verliezers ontbonden, maar tegelijk werd een nieuwe opgericht, met dezelfde initialen en een nieuwe partijvoorzitter.
Of er veel verschil is betreffende ideologie, is niet gans duidelijk. De beledigingen tegen de migranten zijn publiek verminderd, maar ze blijven onderhuids op het internet en de partijfeestjes leven. Vooral het moslimfundamentalisme moet het ontgelden.
De focus tegenwoordig ligt op het streven naar een onafhankelijk Vlaanderen, tegen migranten die zich niet aanpassen en integreren, voor de verdediging van de traditionele waarden (dus geen euthanasie en abortus), met het gezin als kern (hier sluiten ze mooi aan bij de CD&V en de NV-A).
Het Vlaams Belang wil nultolerantie en meer blauw op straat, recht op zelfverdediging van eigen bezittingen, verruiming van de voorwaardelijke hechtenis en het snelrecht, afschaffing van de wet Lejeune, afschaffing van de cordon sanitaire.
Wat die cordon betreft, dit werd in 1989 tussen alle andere partijen afgesproken. De bedoeling was een schutskring te vormen tegen het VB. Dat hield in dat men zich aan de afspraak hield geen bestuursakkoorden af te sluiten of politieke afspraken te maken met het VB. Tot de dag van vandaag lijkt men zich aan de geest van deze cordon sanitaire te houden. Geen enkele partij is ooit een coalitie aangegaan met het VB.
Het grote verkiezingssucces in Antwerpen heeft de cordon ook niet doorbroken. 
De huidige voorzitter is Bruno Valckeniers (1955). Na zijn klassieke humaniora aan het Sint-Lievenscollege te Antwerpen, behaalde hij een licentie in de Rechten aan de U.A. en een License spéciale en droit maritime et aérien aan de  U.L.B. te Brussel. In 1980 werd hij commercieel directeur bij de Hesse-Noord Natie. Na een conflict met de nieuwe eigenaars ervan startte hij in 2002 zelf een maritiem consultingbedrijf. Hij zit in verschillende Vlaamse en nationalistische verenigingen. Voorts is hij roomskatholiek en noemt hij zichzelf een sociaalconservatief. Hij staat voor een conservatieve ethische lijn en stelde in dat kader het volgende: "met zijn wetgeving voor homoseksuelen heeft paars de abnorm gelijkgeschakeld met de norm". Hij is kernlid van de Vlaamsenrepublikeinse denkgroep Res Publica.
Het programma van het VB is te radicaal voor de meeste Vlamingen. Dit is een land van kleine eigendommen met mensen die het liever rustig houden. Revolutie zit er niet in.




Nu op naar hun aartsvijand: Groen! 

Een korte, duidelijke naam, getuigend van een goed marketinggevoel. Je kunt daar niet mee missen. Dit is de partij die zich voor het milieu inzet. Dat uitroepteken oogt een beetje arrogant, alsof ze daarmee willen uitroepen hoe belangrijk ze zijn.
Dat is zowat de draad van hun politieke programma: wij koesteren het milieu en zijn in deze tijd onmisbaar. Zonder ons gaat de natuur en het mensdom kapot. Meteen weten we hoe hun denkpatroon werkt: het is dogmatisch, want aan het milieu kan niet getornd worden; het is arrogant, want ze hebben de wijsheid in pacht, het is conservatief, want ze willen kernenergie en andere high tech wonders weg; ze zijn links want ze houden niet van het industrieelkapitalistische complex en de dreigende globalisering.
Het is ook de partij met de meeste vrouwelijke aanhang. Het milieuaspect spreekt blijkbaar vele vrouwen aan, want het doet associaties oproepen met bloemenweiden, het keurig huizentuintje zonder vervuilende industrie aan mijn achterdeur. Groen! heeft duidelijk heimwee naar Felix Timmermans.
Groen! werd in 1978 gesticht door de jezuïet Luc Versteylen die onlangs in opspraak kwam in verband met seksschandalen in zijn zelfverbeteringgroepen. Tot 2003 heette de partij ‘Agalev’ (Anders gaan leven). Dit werd door de onwetenden vertaald als Anders gaan leven en vrijen, wat tot de populariteit van de jonge partij bijdroeg. Van dat vrijen is niets in huis gekomen, maar dat anders leven sprak een deel van de ontgoochelde mei ‘68 generatie wel aan. Omdat de wereldrevolutie er niet meer in zat, gingen een hoop linksen over naar de milieupartij. Hun invloed uit zich nog altijd in de drie pijlers van het programma: pacifisme, sociale rechtvaardigheid en ecologie (duurzame ontwikkeling). De partij noemt 'de kwaliteit van leven' de 'groene draad door haar programma'. Groen! is een zusterpartij van het Franstalige Ecolo en daarmee de laatste unitaire Belgische politieke partij.
De dioxinecrisis van 1999 betekende voor hen de grote doorbraak. Vele kiezers schoten wakker toen ze merken dat er met hun gezondheid gesold wordt. Agalev kon eindelijk op federaal vlak meespelen, samen met de socialisten en liberalen die ook van de milieuschandalen profiteerden.
Enkele van hun programmapunten werden door de regeringspartners overgenomen. Op federaal niveau werd beslist tot de uitstap uit de kernenergie, kwam er een strengere wet op de verkeersveiligheid, werd het Federaal Voedselagentschap opgericht, werd het homohuwelijk opengesteld, euthanasie toegestaan, kwam er een wet op de patiëntenrechten, kwam er een antidiscriminatiewet, kwam er een regularisatie van mensen zonder papieren en de 0,7% bijdrage voor ontwikkelingssamenwerking.
Maar bij de verkiezingen van 2003 verloor Agalev al haar zetels. Dit was nog maar weinig voorgevallen en niemand was daarop voorbereid. Het resultaat was dramatisch. Ze verloor haar partijdotatie. Vogels stapte op als partijvoorzitter. Door het verlies aan inkomsten als niet-parlementaire partij moest de partij een groot aantal medewerkers ontslaan. Wat was er misgelopen?
Hun autoritair optreden inzake milieuzaken, het slecht gecoördineerde en georganiseerde intern beleid,  de invoering van milieutaksen en verstrengde controles op milieuovertredingen, het feit dat ze enkel met hun eigen achterban konden communiceren (wat voor velen als sektarisch overkwam), waren allemaal factoren die erop wezen dat ze niet rijp waren om op nationaal vlak te opereren. Aan de grote hangijzers, zoals werkloosheid en financiering van de pensioenen hadden ze blijkbaar geen boodschap.
Op het congres van november 2003 werd het partijjargon meer gemoderniseerd.  Vera Dua mocht zich als eerste groene voorzitter laten noemen in plaats van politiek secretaris. Alle partijorganen werden grondig vernieuwd, de structuur gestroomlijnd en een nieuwe lading jongeren werdt klaargestoomd voor de opvolging. Voor het eerst mochten de groene verkiezingskandidaten ook persoonlijke affiches gebruiken. Ook enkele andere oude principes sneuvelden om efficiënter te kunnen werken. Toch blijft de uiteindelijke beslissingsmacht bij het ledencongres liggen.
Hierdoor kregen ze terug wind in de zeilen (ja, de politiek is een grillige business) en kwamen bij de verkiezingen van 2007 terug in het parlement.
Groen! heeft de media voornamelijk gehaald met kleinschalige en ludieke acties zoals de invoering van kringlooppapier, groene fietsers, de zachte waarden, de Derde Wereldacties, de ecotaksen.
In 2008 werd Wouter Van Besien (1972) partijvoorzitter. Van Besien is licentiaat in de sociologie en behaalde aan de Universiteit van Hull de graad van master of arts in developing area studies. Hij was als jonge man actief binnen de Vlaamse jeugdbeweging en de Vlaamse Jeugdraad en werd in 1998 nationaal secretaris van de Chirojeugd Vlaanderen. In 2001 ging hij aan de slag als medewerker van Agalev in Antwerpen. In 2010 werd hij op een statutair congres van Groen! voor vier jaar als voorzitter herverkozen. Van Besien was de enige kandidaat en behaalde zo een monsterscore van 94 procent. Niet moeilijk.

Ik denk dat we het hiermee gehad hebben. De verkiezingspolls (in zover we die mogen betrouwen) geven de volgende prognostiek:

NV-A : 33,00 %
SP.a : 15,6 %
CD&V : 12,9 %
VB : 11,5 %
Open VLD : 11,3%
Groen : 8,3%

Over de rest praten we niet. Een eventuele winst voor de kleine partijen zal toch maar uitmonden in onnodig ingewikkelde coalities. We zien wel hoe het zit, als er tenminste verkiezingen zullen komen. Want daar hebben de traditionele partijen niets mee gewonnen, omdat, als de prognostiek klopt, de NV-A nog meer stemmen van ze zal afknabbelen, maar verder zou dat zonder effect blijven, omdat de Walen en Brusselaars hun veto zullen stellen. Met het gevolg dat we nog eens een wereldrecord kunnen breken.
Nota: voor de mensen die het beu zijn om te gaan stemmen: je hoeft niet bang te zijn dat je in ‘den bak’ zult verdwijnen. De overheid blijkt het ook allemaal beu te zijn, en stelt geen vervolgingen meer in als je niet komt opdagen (dat geldt echter niet voor de opgeroepenen).




dinsdag 15 februari 2011

HET INTERNET: DE NIEUWE BIG BROTHER.

De wet op de privacy, of de bescherming van onze persoonlijke levenssfeer zoals het in het staatsblad is opgenomen, is onderhands bijna vijftig jaar oud. Dus nog ruim voor het internet bestond. Die wet heeft dan ook sindsdien enige aanpassingen ondergaan, maar grosso modo blijft de premisse dezelfde: het gaat om de verwerking van persoonsgegevens door de overheidsdiensten. Verwar dit niet met de bescherming van de burger. Daar is de overheid niet in geïnteresseerd. De laatste aanpassing dateerde van 2007 maar bracht geen grote aanpassingen met zich mee. Wat die wet precies inhoudt is nogal duister. Artikel 1 van de wet van 1993 zegt het volgende:
… Voor de toepassing van deze wet wordt onder “persoonsgegevens” iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan, hierna “betrokkene” genoemd; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit…
De bedoeling is dat, wie vaststelt dat er geknoeid is met zijn persoonlijke gegevens of dat die misbruikt worden, daarvoor klacht kan indienen.
Een nobel initiatief, hoewel het ook een tweesnijdend zwaard is. De bescherming van de persoonlijke leefsfeer geldt namelijk ook voor politieke misdaden en dossiers die de staatsveiligheid bedreigen.
Tot 2009 gold op de ‘aangebrande’ historische archieven een inzageverbod van 100 jaar, waardoor bijvoorbeeld oorlogsmisdadigers vanaf de eerste wereldoorlog afgeschermd werden. Onder Europese druk werd de termijn verlaagd tot 30 jaar. Maar nog altijd kunnen bijvoorbeeld de Congo-archieven niet bestudeerd worden, zodat de moord op de Congolese premier Patrice Lumumba niet opgehelderd kan worden. Of de moord op parlementair en communistenleider Julien Lahaut in 1950.
De wet op de privacy heeft geleid tot scherpere controles, maar tegelijk ook de deur opengezet tot verregaande inmenging in de persoonlijke leefsfeer. Door de koppeling van verschillende databanken (kruispunten genoemd) kunnen voortaan gegevens van sociale zekerheid, belasting, vermogensbeheer en bankrekeningen worden samengesmeed. Wie goed in zijn schoenen staat, of de weg kent naar anonimiteit, hoeft zich daarover geen zorgen te maken, maar de overheid heeft ook nog andere mogelijkheden in petto, en het houdt niet op.
Focussen we ons op het momenteel meest populaire internetfenomeen: het Facebook.
Nu denk je, ach, mijn Facebook profiel is onschuldig. Mij vriendjes zijn onschuldig. We vormen samen een leuk koffiekletsgroepje. Maar daar wordt het precies gevaarlijk. Je geeft meer gegevens over je privacy bloot dan je denkt. Er zijn mensen die hun profielen op het facebook breed uitsmeren zodat je bijna hun leven kunt samenstellen. Het zijn mensen die niets te vrezen hebben van hackers, homejackers en kidnappers. Denken ze.
Maar dat profileren is niet zo onschuldig. Er kijken mensen over je schouder mee. De RVA en de fiscus kunnen zich afvragen hoe deze werkzoekende, die over zijn nieuwe dure auto bericht, dat geld heeft bijeengeraapt. De werkgever kan uitpluizen wat de Facebook gebruiker zoal over zichzelf vertelt en die gegevens met zijn CV vergelijken. Hij kan ook zien of je tijdens de werkuren niet zit te facen. Je activiteiten op onlinewinkels kunnen opgespeurd worden en als je je e-mailadres erbij vermeldt, staat dat er ook op. Facebook zelf heeft heel wat trucs in petto om marketeers in staat te stellen de juiste reclametags te construeren. Spammers kunnen dat ook. En hotels. En alle publieke plaatsen die gratis draadloos internetverbinding aanbieden. Die zijn, om het de gebruiker gemakkelijk te maken, onbeveiligd en hoteldetectives, personeel en iedereen op de plek kan in je e-mails snuisteren terwijl je aan het werk bent.
Het grootste gevaar komt echter uit de hoek van de overheid. Regeringen en intelligentiediensten hebben intussen ook het internet ontdekt. Echelon, de elektronische speurneus van het Amerikaanse NSA, is constant op zoek naar nieuws, e-mails en tekstberichten die verdachte informatie verstrekken. Dat is nog niet genoeg, en daarom zitten ze ook naar de sociale netwerken te lonken. Het moet legaal blijven en ze mogen de vrije meningsuiting op het internet niet aan banden leggen, maar dat willen ze ook niet. De overheid heeft er alle belang bij om het internet te houden zoals het is en de mensen aan te moedigen zoveel mogelijk van zichzelf prijs te geven.
Het stormachtige succes van Facebook is er niet gekomen omdat een geniale nerd iets ontwierp dat kruiskoppelingen tussen gebruikers mogelijk maakte. Iemand van de overheid merkte dat op en vond het een prachtmiddel om in recordtempo gekoppelde profielen op te zoeken in de strijd tegen het terrorisme en ondermijning van de Amerikaanse samenleving. Facebook heeft zijn succes te danken aan de CIA en het Amerikaanse ministerie van defensie die de nodige fondsen bijeenbrachten om het tot het grootste sociale netwerk ter wereld te maken. De prijs die ze daarvoor moesten betalen is onbelangrijk vergeleken met de schat van informatie over individuen die ze spelenderwijs kunnen verzamelen.
De tendens van de overheden om het internet voor intelligentieopdrachten te gebruiken, blijft zich verder ontwikkelen. Ze vinden nieuwe elektronische speurhonden uit, zetten informanten op de sociale netwerken en de blogs, lokken reacties uit en wisselen info uit. Ze zijn dan ook bereid geld te stoppen in elk project dat daarvoor in aanmerking komt.
Soms hoeven ze het geld zelfs niet uit te geven. Google’s Street View project waarbij straten realistisch kunnen afgestruind worden, is perfect voor legereenheden die een stad binnenvallen. Ze kunnen op hun mobiele computer snel de weg naar hun strategische doelwitten volgen.
In zijn essay, The Net Delusion or The Dark Side of Internet Freedom, van de Amerikaanse Witrus Evgeny Morozov, een internationaal bekende blogger, wordt haarfijn uitgelegd waar het internet naar toe evolueert. Of zou kunnen als we niet alert blijven.
Samengevat:
Het internet begint paranoïde te worden, vertelt hij in zijn inleiding. Het geeft ons niet wat het ons belooft. Het is grondig ontspoord en speelt vuil spel met onze privacy en de mensenrechten in het algemeen. Uitgevers zoeken naar manieren om de auteursrechten te beschermen. Ouders willen hun kinderen beschermen tegen het cyberpesten en porno. Wetgevers verkennen mechanismen die de privacy van mensen moet verdedigen. Regeringen proberen de middelen te vinden om lekken te stoppen. Ondernemers moeten rekening houden met cyberspionage. Publieke figuren moeten rechtszaken inspannen wegens laster op het internet. En we worden meer en meer ongerust omdat we zonder onze toestemming bekeken, gefilmd en geüpload worden.
Maar Morozov is vooral geïnteresseerd in de politieke aspecten van het internet.
Het bevrijdende wereldomvattende web bevat tevens de zaden van depolitisering en dus dedemocratisering, legt hij uit. In tegenstelling tot de ‘cyberutopians’, zoals hij de idealisten van het internet noemt, degenen dus die van mening zijn dat het internet een krachtig instrument voor politieke emancipatie is, voert Morozov overtuigend aan dat het internet vaker wel dan niet democratie ondermijnt en persoonlijke vrijheid vernietigt.
Hij vertelt over een toespraak gegeven door Hillary Clinton, een jaar geleden, waarin ze over het internet in lovende bewoordingen sprak, als een instrument dat democratie zou bevorderen en de mensenrechten beschermen. Clinton was er zich misschien niet van bewust dat, zoals Morozov het wrang uitdrukt, de meest populaire zoekopdrachten op de Russische zoekmachines geen vragen waren als 'wat is democratie?' of 'hoe beschermen we de mensenrechten?', maar 'wat is liefde?' en 'hoe kan ik gewicht verliezen?'
Het internet als revolutie-instrument? Morozov citeert de politieke blogger, Andrew Sullivan, die enthousiast verkondigde dat de Iranese revolutie getwitterd zou worden. Die revolutie is nooit gebeurd, en het vergeefse twitteren van de demonstranten werden gebroken met ijzeren hand. Maar Sullivan was niet de enige met blind vertrouwen in het internet. Clay Shirky, een internet expert, zei het in nog fraaiere bewoordingen: "Dit is het. Dit is de eerste revolutie die over een internationaal podium beschikt dat bestuurd wordt door de sociale media.”
Twee decennia van dom getater over de magische krachten van de vrijetijdstechnologie veranderde het beeld over het internet eenzijdig. Er ontstond een klasse van gebruikers die hun leven via het internet regelen. Het internet als universele deus-ex-machina, als compensatie voor de teleurgang van de godsdienst. Het leven vanop de luie stoel.
Als dat mogelijk was, waarom zouden we het ook niet kunnen gebruiken alls middel tot politieke revolutie? De gebruikers waren ervan overtuigd dat het internet Irak en Afghanistan naar democratieën kon transformeren, gewoon door op een computerklavier te tokkelen. Morozov vraagt zich dan af waarom er een leger moest op afgestuurd worden als het ook kon op de manier waarop we onze schoenen online kopen.
De revolutieprekers vergeten de elementaire beginselen van een succesvolle revolutie: de medeplichtigheid van het leger, onder de leiding van een krachtig politieke verzet, en de bereidheid van een ontevreden bevolking. Die waren er niet in beide landen. Maar de politieke generatie van vandaag is opgegroeid met het internet en denkt enkel in termen van het internet. Ze zijn ‘doof voor de sociale, culturele en politieke subtiliteiten van een land.’
Het gezagsondermijnende internetverkeer werd bovendien tegen de demonstranten gebruikt. Het Iranese regime gebruikte het web om foto's, persoonlijke informatie en verblijfplaatsen van demonstranten op te speuren (via Facebook, natuurlijk); om propagandistische video's te verspreiden, en de bevolking op zijn plaats te zetten. Ook China is zo wijs om het internet niet volledig te bannen. Het geeft ze nu eenmaal snelle en efficiënte informatie over hun verdachte elementen.
En niet alleen de overheden maken misbruik van het internet. Polygamie is illegaal in Turkije maar dat betekent niet dat Turkse dorpelingen het internet niet gebruiken om meerdere vrouwen te vinden. Mexicaanse misdaadorganisaties maken gebruik van de netwerken om informatie over hun slachtoffers te verzamelen. Neofascisten zoeken er hun targets om pogroms te organiseren. Russische meisjes worden er geronseld om als seksslavinnen te gaan werken.
Het internet gedraagt zich ook lafhartig en dubbelzinnig. Google gaf toe aan de Chinese eisen om bepaalde zoekitems niet meer op te nemen. Twitter en Facebook hebben geweigerd om het Global Network Initiative, een initiatief om de mensenrechten op het internet te respecteren, te ondertekenen.
Het internet is een Amerikaanse uitvinding en volgens Amerikaanse principes moet het dus winst opleveren. Morozov schrijft dat de gevaarlijke fascinatie om sociale problemen met de hulp van technologie op te lossen, het de gevestigde belangen mogelijk maakt te verhullen wat in wezen neerkomt op reclame voor hun commerciële producten, gezet in de taal van vrijheid en bevrijding.
In 2007 schreef Jared Cohen, toen werkend bij de Amerikaanse BZ, dat ‘het internet een plek is waar de Iranese jeugd kan en mag zeggen wat ze willen in hun streven naar meer vrijheid’. Veel van die cyberrevolutionairen zitten nu in de gevangenis of zijn vermoord. Cohen zelf werkt nu voor Google als regisseur van Google Ideas, een onderdeel dat onderzoekt hoe de wereld beter gemaakt kan worden. Vanzelfsprekend met de hulp van Google zelf.
Voor Morozov is het internet ‘een veel grilliger technologie’ dan radio of televisie. Noch radio noch tv kunnen op basis van zoekwoorden filteren, een typische internettechnologie die het mogelijk maakt voor autoritaire regimes om URL's en tekst te herkennen en gevaarlijke websites te onderdrukken, of, zoals marketeers, informatie te verzamelen over de mensen die ze bezoeken - een tactiek die Morozov sardonisch de ‘aanpassing van censuur’ noemt.
Morozov, zelf geboren in communistisch Wit-Rusland, is, met wellicht typische Oost-Europese intellectuele somberheid, pessimistisch over de menselijke aard. ‘Technologie verandert de hele tijd,’ schrijft hij, ‘de menselijke natuur nauwelijks.’
Ook de cloud-technologie kent in zijn ogen geen genade. Het cloud (Nederlands: wolk) staat voor internettoepassingen die niet op de machine van de gebruiker staan, maar ergens op een server. De gebruiker hoeft op deze manier geen eigenaar meer te zijn van de gebruikte hard- en software en is niet verantwoordelijk voor het onderhoud. Alles wat je nodig hebt om toegang tot je bestanden te krijgen is je wachtwoord. Je bent safe voor ongewenste ogen. Maar een repressief regime kan de wachtwoorden met intimidaties en foltering uit de systeembeheerder wringen.
Morozov is van mening dat het internet enkel de achilleshiel van de democratie blootlegt. Het moreel kneedbare web creëert een egalitaire antidemocratie waarin het meest elementaire fatsoen in de vergeethoek wordt geduwd.
Afijn, hoe en wat de toekomst van het internet ook mag zijn, we laten Morozov best zelf aan het woord.


Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.

maandag 14 februari 2011

BELGIE, STAKINGSPARADIJS.

De Post (bPost) staakt.
De post is afgelopen nacht niet in de postkantoren geraakt. Woensdagavond brak er een spontane staking uit aan het postsorteercentrum Antwerpen X aan de Noorderlaan. Daar wordt de post voor Limburg en Antwerpen gesorteerd. En ook Gent X sloot zich nadien bij de actie aan. De meeste brievenbussen bleven vrijdag leeg.
Volgens de christelijke vakbond ACV heeft 90 procent van de werknemers tijdens de nacht van donderdag op vrijdag het werk neergelegd. "De staking is nu al een succes", luidt het. De vakbonden bij BPost riepen op tot een algemene staking uit protest tegen het strategische plan van BPost, dat een herziening inhoudt van de organisatie van de brieven- en pakjespost. Voor zover het krantenbericht.
Uitgerekend dus op de laatste werkdag moeten we onze correspondentie ontberen. Het wachten op belangrijke stukken zal dus drie dagen in beslag nemen, of meer, want de postbode moet nu een dubbele lading rondbrengen. Waarvoor eigenlijk? Omdat BPost wil moderniseren? Omdat de pakjespost, die tussen haakjes verlieslijdend is, zal worden gereorganiseerd? Wat hebben u en ik ermee te maken?
De Post blijft de grootste werkgever van het land. Dat blijkt uit de jaarlijkse Trends Top 30.000, die het gelijknamige weekblad publiceert. Met 33.775 werknemers is De Post bijna dubbel zo groot als eerste opvolger Fortis, die in 2006 19.949 mensen aan het werk had. De NMBS staat op een derde plaats (18.439), voor Belgacom (13.675) en Delhaize (13.079). Carrefour (12.117), ING (10.924), Colruyt (10.445), KBC (10.230) en Electrabel (8.246) maken de top tien vol.
Maar hoe lang blijft die toppositie nog? De brievenbedeling staat op een wegkruising en een keerpunt. Door het internet is een massa persoonlijke correspondentie uit de postbussen verdwenen waardoor meer jobs verloren gaan of vervangen worde door tijdelijk personeel. Elektronische bedeling begint stilaan door te dringen. Het zal een flinke knauw in het postbudget betekenen, als de digitale zakelijke post gestandaardiseerd zal zijn. Het postbestuur zelf kan je niet van oogkleppen beschuldigen. Die hebben ervoor gezorgd dat de post een moderner imago kreeg en de belastingbetaler centen uitspaart. De leiding bestaat al lang niet meer uit ambtenaren, maar uit mensen van het vak. BPost is een conglomeraat van de Deense post, CVC Capital Partners en de Belgische Staat. De Deense post wil zijn aandelenpakket afstoten. Capital Partners zal aldus voor 49,9 procent aandeelhouder worden van BPost. Capital Partners heeft momenteel 53 vennootschappen en is actief in de Verenigde Staten, Europa en Azië. Het heeft 400.000 personeelsleden ter beschikking. De sectoren zijn veelvuldig: die gaan van formule 1 autosport, kleding, de drukindustrie tot precisieapparatuur. BPost is maar een klein onderdeel daarvan. Als Capital Partners erin slagen om de ontbrekende 0,1 percent + 1 over te nemen, wordt de Post geprivatiseerd.
Geen wonder dus dat het vaste personeel in paniek geraakt en vraagt de vakbonden tussenbei te komen.
De taak van de vakbonden is haar leden te beschermen. Zowel we zien is dat in dit geval gewoon niet meer realistisch. Maar de vakbonden spelen het spelletje met koppige, blinde hardnekkigheid, want ze moeten nu eenmaal hun leden tevreden houden. Het gaat natuurlijk niet om het welzijn van de klanten. Het gaat om de belangen van de werknemers en het prestige van de vakbonden. Daarvoor moet dus heel het land boeten. Waarom straffen ze ons, de onschuldige toeschouwers, die zelfs niet weten waarvoor ze eigenlijk staken?
Dat komt omdat de Belgische vakbonden het hier voor het zeggen hebben. Dat komt ook omdat spontane stakingen een recht zijn waar niet aan getild wordt. België is de kampioen in spontane stakingen, een eufemisme voor wilde stakingen.
Hoe komt het dat vakbonden zo machtig zijn en het dagelijkse leven kunnen lamleggen? Een beetje sociale geschiedenis is nodig.
België heeft lang moeten wachten op een rechtvaardige sociale wetgeving. De liberale werkgever van de negentiende eeuw had lak aan mensenrechten. De Belgische werkgevers zijn niet bepaald bekend als filantropen als het om hun werknemers ging. De sociale wetten werden niet door hun geïntroduceerd, maar door de syndicale inzet van de arbeiders. Dit was enkel mogelijk na een lange en bittere strijd die niet zelden met doden omweven was en waardoor de sociale rechtvaardigheid veel later tot stand kwam dan in de buurtlanden.
In Groot-Brittannië, de bakermat van de industriële revolutie, waren het de werkgevers zelf die het initiatief namen en wetten produceerden die kinder- en vrouwenarbeid reglementeerden. In 1833 werd een eerste doorbraak gerealiseerd wat de minimale leeftijd van kinderarbeid naar 9 bracht.
In 1840 werd het gebruik van kinderen onder de zestien als schouwvegers verboden. (De Disney-film Mary Poppins zit dus volledig fout, als hij de zielige schoorsteenvegertjes ten tonele voert, want het boek, of liever de boeken, want het zijn er 8, speelt zich af in 1908).
In 1842 werd ondergronds werk voor vrouwen verboden. Deze wetten werden opgevolgd door de andere geïndustrialiseerde landen. Frankrijk had een resem wetten vanaf 1841 tot 1900. Pruisen (het Duitsland voor 1870) begon ermee in 1839 en zou onder Bismarck hoger scoren dan Groot-Brittannië, wat bijdroeg tot het succes van de eenheidsstaat Duitsland. In België duurde het tot 1889 voor het kinderen onder de 12 ongezonde en ongevaarlijke arbeid verboden werd. Maar er werd een loopje genomen in de sectoren die met grote concurrentie te kampen hadden en ook in de huisarbeid en de landbouw. Ook de ouders werkten met de bazen mee en bleven kinderen produceren voor de levering van goedkope werkkrachten. Het duurde in België tot 1914 voor kinderarbeid onder de veertien jaar vervangen werd door schoolplicht.
In 1903 kwam er een wet op de arbeidsongevallen voor alle werknemers. Maar toen was de eerste industriële revolutie al uitgebloed.
In 1920 werden er betere gelijke politieke kansen gecreëerd door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht. De kleine man kreeg voor het eerst een politieke stem. Het feit dat het algemeen stemrecht zolang uitbleef (het duurde tot 1948 eer ook de vrouwen stemrecht op nationaal niveau kregen en dan nog onder de druk van de Amerikanen) was de schuld van de linkse zijde die bang was dat de vrouwen massaal voor de katholieke partij zouden kiezen. Uiteindelijk zaten ze verkeerd, maar gelukkig waren er hier niet zoveel weinig militante feministen.
In Nederland gebeurde het democratische proces sneller. In 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd. In 1919 kregen vrouwen actief kiesrecht. In 1922 werd er volledig algemeen kiesrecht ingevoerd. Tussen 1918 en 1920 verwerven vrouwen het kiesrecht in Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten.
Paradoxaal profiteerde de Belgische syndicalisme van deze wantoestand, omdat zij de enige officieuze spreekbuis van de kleine man was. De landen waar de burgers als mondig aangezien werden (in België is dit nog altijd niet het geval, vandaar de stemplicht), hebben opvallend heel wat minder vakbondsinmenging. Daar wordt eerder rechtstreeks op sectoriel niveau, tussen werkgever en werknemer (dus intern), wat tot betere deals leidt en dus ook tot een betere verstandhouding. Er zijn geen nationale stakingen mogelijk
Het begrip ‘spontane’ staking bestaat daar trouwens ook niet en het lamleggen van de hele economie is dan ook niet mogelijk. De economie blijft draaien en de mensen ondervinden er geen of minder last van, omdat ze niet voor verrassingen komen te staan en zich beter kunnen op voorbereiden.
Het was vooral dankzij het socialisme dat de overkoepelende sociale wetgeving tot stand kwam. Voorheen was het de werkgever die besliste over het welzijn van zijn werknemers en dus naar willekeur kon handelen. De socialistische partij werd in 1885 opgericht. De katholieke in 1912. Kerk en kapitaal zorgden ervoor dat de katholieke partij spoedig de socialistische overvleugelde, die met voortdurend geldgebrek had te kampen. De mondiale crisis van de jaren dertig veranderde die situatie echter. De vakbonden kregen meer invloed, hoewel de tweede wereldoorlog daar een stokje voor stak. Het zou tot na het einde ervan duren voor het stelsel van de werkloosheidsvergoedingen, ziekte- en invaliditeitsverzekering en betaalde jaarlijkse vakantie werd ingevoerd. Dit was enkel mogelijk omdat ook de staat bijsprong. De reden daarvoor was omdat zowel het fascisme als het communisme een beter arbeidersparadijs beloofden of hadden beloofd. Een afspraak tussen vakbond en staat zou leiden tot een innige samenwerking, waarbij de vakbond de administratie van de sociale zekerheid overnam en de staat als geldschieter optrad.
Uiteindelijk ziet de situatie er zo uit: overheid – werkgever – vakbond – werknemer. De werkgever, als verschaffer van werk en inkomsten, zit geprangd tussen de overheid en de vakbond, maar heeft daar mee leren leven. De werkgever betaalt een derde tot 80% bovenop het brutoloon als eigen bijdrage voor de sociale lasten en komt eveneens voor de helft in de syndicale premie tussen. Dat lijkt verdacht veel op maffiapraktijk: afkoop van dreigementen. De werkgever heeft er tenslotte alle belang zowel vakbond als staat tevreden te houden.
Maar de werkgever slaat ook terug. Dat blijkt uit de economische cijfers. België (en ook Nederland) zijn de kampioenen van het kleinbedrijf.
Omdat de sociale wetgeving syndicale vertegenwoordiging vanaf 50 werknemers stelt, houden de werkgevers hun bedrijf qua personeelsbezetting zo klein mogelijk. Dit kan door de werknemers een hoger productieritme op te leggen (België is niet voor niets een van de productiefste landen ter wereld), de lonen te beperken tot de verplichte indexaanpassingen en de overeengekomen Cao-afspraken, en afdelingen juridisch te splitsen als het op de werkvloer te druk wordt. Dit heeft dan ook tot gevolgd dat de vakbonden weinig of geen inspraak in de KMO’s hebben en zich noodgedwongen moeten beperken tot de sectoren met de meeste werkverschaffing, dit zijn de overheidsinstellingen en de grote ondernemingen.
Waar geen vakbondinmenging is, zijn de werknemers gedwongen om hun problemen binnenhuis af te handelen. Werknemers die hun vakbond erin betrekken, lopen het risico ontslagen te worden, en niet zelden kiest de vakbond de kant van de werkgever, omdat er geen baat bij is een juridisch dure actie op te starten.
KMO is een veel in Vlaanderen gebruikte afkorting voor "kleine of middelgrote onderneming". De term in Nederland voor KMO is MKB of Midden- en Kleinbedrijf. Een praktisch verschil is, dat MKB een aanduiding is voor de sector, niet voor een bedrijf. Men kan dus wel spreken van "een KMO" maar niet van "een MKB"; wel spreekt men van "een MKB-bedrijf".
Even een zijsprongje naar de KMO.
De Vlaamse regering en de Europese Gemeenschap beschouwen bedrijven met minder dan 50 ondernemers als klein en leggen de grens voor een KMO op maximaal 250 werknemers. Naast het aantal werknemers zijn er andere criteria betreffende omzet en zelfstandigheid. Zij vertegenwoordigen dus zowel eenmansbedrijven ("de slager om de hoek") als redelijk kapitaalsintensieve bedrijven als bijvoorbeeld softwareleveranciers.
In België vinden we het grootste aantal KMO’s terug in de sector van de zakelijke dienstverlening (15%), kleinhandel (12%), groothandel (12%) en de bouwnijverheid (11%). 6% van de KMO’s in België vinden we terug binnen de industrie, waarbij de subgroepen voeding (1,1%), metaal (1%) en uitgeverijen, drukkerijen en reproductie (1%) de grootste takken zijn.
In Vlaanderen en Wallonië is de verdeling van het aantal KMO’s over de verschillende sectoren gelijkaardig aan de nationale situatie. Het grootste verschil stellen we vast binnen de sector van de landbouw, bosbouw en visserij. In Vlaanderen is 10% van de KMO’s binnen deze sector te situeren, in Wallonië is dit 12%. Brussel kent de grootste verschillen met de andere regio’s in de sectoren van de overige zakelijke dienstverlening (22% t.o.v. 15%) en de landbouw, bosbouw en visserij (2% t.o.v. 10%).
Bedrijven met een geringe personeelsbezetting maken het leeuwendeel uit van de KMO. Zij verkiezen automatisering en hard werken boven vakbondinmenging. Vakbonden werken paradoxaal door hun acties de automatie dus in de hand. Deze tendens in het bedrijfsleven is begrijpelijk. De werkgever is als de dood voor stakingen. Dat kost hem een pak geld, omdat bestellingen niet tijdig uitgevoerd worden, wat verlies aan klanten betekent, maar ook verlies aan prestige en omzet. Het gevolg daarvan is dat mensen ontslagen moeten worden.
Niet alle werknemers kunnen zomaar ontslagen worden.Alle werknemers die deelnemen aan de sociale verkiezingen genieten van een sterke bescherming tegen ontslag, dus zeker de personeelsvertegenwoordigers in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming. Dit zijn de beschermde werknemers. Zij kunnen maar ontslagen worden wegens dringende reden ofwel om economische of technische redenen. De reden moet eerst erkend worden door een arbeidsrechtbank of door het paritaire comité van de sector. Onnodig uit te leggen dat de werkgever zich tweemaal zal bedenken voor hij een beschermde werknemer die zijn dag doorbrengt met zijn collega’s op te ruien en met vakbondsacties te dreigen, de bons zal geven. Het is een noodzakelijk kwaad dat hij in zijn bedrijf moet dulden in ruil voor rust op de werkvloer.
Dat staken een regelrechte bedreiging is voor de werkgever is het gevolg van het feit dat België een van de meest liberale stakingsrechten heeft. De minst beperkte en meest vrije vakbonden zijn terug te vinden in België, waar de legale doctrine niet toestaat dat er enige actie tegen hen ondernomen wordt (zelfs niet door de werkgever).
Vakbonden hebben over het algemeen de rechtsvorm van een vereniging. In België zijn vakbonden echter bij bijzondere bepaling géén rechtspersoon. Hierdoor ontsnappen ze aan de wetgeving op de boekhouding en het openbaar maken van jaarverslagen.
Laten we het eens over dat beruchte Belgische stakingsrecht hebben.
Weinig mensen stellen tegenwoordig het recht op staken in vraag, maar over de reikwijdte van dit recht kan heftiger gediscussieerd worden. Zo is het maar zeer de vraag of het bedrijfsleven moet opdraaien voor stakingen die voortvloeien uit politieke keuzes (denk maar aan het beruchte Generatiepact). Een deel van de opgelopen schade zou kunnen verhaald worden op de vakorganisaties, ware het niet dat ook op dit punt ons land zich internationaal onderscheidt van de anderen. Omdat de Belgische vakorganisaties geen rechtspersoonlijkheid hebben kunnen ze niet aansprakelijk gesteld worden voor hun daden.
Opdat een staking legaal zou zijn, moeten de werknemers er een redelijk belang bij hebben. In de praktijk blijkt dat de meest voorkomende stakingen te maken hebben met volgende kwesties:
• Arbeidsvoorwaarden
• Veiligheid- en gezondheidskwesties
• Het beëindigen of schorsen van een overeenkomst
• Locatie van de werkgelegenheid
• Disciplinaire kwesties
• Faciliteiten voor de officiële vertegenwoordigers van een vakbond
Een verlieslijdende pakjesdienst hoort hier niet bij.
Stakingen om tot een CAO te komen, mogen in België. Een CAO is tussen haakjes een sectoriele overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij de laatste bepaalde eisen afdwingen die een gans jaar gelden een waarvan niet afgeweken kan worden. Omdat die collectief is profiteren ook de werknemers die anders voor een loonsverhoging niet in aanmerking zouden komen daarvan. De werkgever zal aldus loonsverhogingen enzovoorts zoveel mogelijk in discussie stellen, wat tot krachtmetingen kan leiden.
Inge Vervotte, vakbondswoordvoerder in het dossier van Sabena, heeft haar steile politieke carrière te danken aan haar (mislukte) poging om tot een akkoord met de werkgevers te komen.
De legaliteit van een staking zal niet worden bepaald door te verwijzen naar het doel ervan, maar wel door de ‘feitelijkheden’ die ermee gepaard gaan. Voorbeelden hiervan zijn:
• Illegaal opstellen van stakerspiketten (die voorkomen dat niet-stakende werknemers en/of leveranciers het bedrijf binnengaan)
• Illegale bedrijfsbezettingen
• Gebruik van geweld / bedreigingen
• Het aanrichten van materiële schade tijdens de staking
In deze gevallen kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en/of de voorzitter van het arbeidsgerechtshof tussenkomen en een eind aan de staking maken. In de praktijk gebeurt dit zelden.
Een van de bekendste gevallen waarbij de vakbond haar boekje te buiten ging was dat van Alain Zenner, curator van het failliete Forges de Clabecq, die een moot kreeg en met bebloed gezicht in de media verscheen. Hij kreeg heel wat sympathie voor zijn heldendaad van het establishment en begon daarna een succesrijke politieke carrière.



Vakbonden zijn lucratief, zelfs als je er tegen bent.

Er zijn dus grenzen aan wat de vakbond kan en mag.Maar dat geldt niet voor stakingen. Daar kan de vakbond zich uitleven. Er zijn in België geen beperkingen aan de schaal van een staking. Stakingen kunnen bijvoorbeeld voorkomen in elke industrie, regio, bedrijf of bedrijfstak. In bepaalde sectoren (en dit geldt voor de meeste landen) zijn er wel enkele beperkingen zoals het voorzien van een minimale dienstverlening.

Hoe zit het in het buitenland?
In Frankrijk hebben individuele werknemers het beschermde (grondwettelijk) recht om deel te nemen aan industriële acties.
In andere landen zijn er stringentere regels voor stakers en stakingen. In Duitsland bijvoorbeeld, hebben werknemers geen individueel recht om industriële acties op te zetten en stakingen die niet zijn goedgekeurd door de vakbonden zijn illegaal. In Denemarken zijn industriële stakingen enkel toegestaan als ze gericht zijn op het behalen van een collectief akkoord. Ook in dit land hebben individuele werknemers niet het recht om een industriële actie op poten te zetten. De meest strenge bewoordingen vinden we waarschijnlijk terug in het Verenigd Koninkrijk. Daar bestaat immers geen positief recht om deel te nemen aan industriële acties. In sommige landen kan een werkgever al op voorhand legale acties ondernemen tegen een illegale staking en zo de organisator ervan verplichten van de voorgenomen acties af te zien. Dat is onder meer het geval in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Ierland, de Verenigde Staten en Griekenland. Een dergelijk voorlopig verzoek is niet mogelijk in onder meer België, Frankrijk en Oostenrijk. In Denemarken is een spontane staking meestal illegaal omdat het een inbreuk vormt op de clausule van ‘sociale vrede’. Ook in Duitsland zijn spontane stakingen illegaal, behalve als ze achteraf worden geautoriseerd en overgenomen door een vakbond (waarna ze dus legaal worden). In het Verenigde Koninkrijk is een spontane staking die niet goedgekeurd is door de vakbond een ‘niet-beschermde industriële actie’ en kan het dus ook niet rekenen op de beschermingsmaatregelen die wel gelden bij een officiële staking.
Een belangrijke opmerking is wel dat in de meeste landen waar spontane stakingen zijn toegestaan, er een uitzondering bestaat voor bepaalde sectoren. Ordediensten en verzorgend personeel zijn dan bijvoorbeeld typische diensten die een minimumbezetting moeten garanderen.
In de Engelse wetgeving is het wel toegestaan om een piket op te slaan aan de werkplaats, maar zijn blokkades uit den boze. In Frankrijk zijn blokkades toegestaan als het de werknemers niet verhindert om naar hun werkplaats te gaan. Ook in Duitsland is het blokkeren van gebouwen verboden.
Er zijn verschillende soorten stakingen en evenveel redenen om te staken. Laten we er enkele onder de loep nemen.
Politieke staking.
In België kan een dispuut van politieke aard dat niet gerelateerd is aan de arbeidsvoorwaarden, de basis vormen voor een staking. Op dit gebied is ons land min of meer een witte raaf. In Spanje heeft recente ‘case law’ aangetoond dat een politieke staking niet illegaal is onder bepaalde omstandigheden, als de professionele belangen van de werknemers rechtstreeks in het spel zijn.
In de meeste andere Europese landen geldt een ander verhaal. In Frankrijk vallen politieke stakingen niet onder de bescherming tegen ontslag. Een soortgelijke situatie geldt in het Verenigde Koninkrijk, waar een staking van politieke aard niet onder de immuniteitsvoorwaarden van de vakbond valt. In Duitsland en Denemarken zijn politieke stakingen illegaal, net als in Griekenland, Italië en Luxemburg.
Schadeclaims
Door het recht op staken kunnen Belgische werkgevers geen schadeclaims indienen bij een spontane staking. Een vakbond die een staking organiseert in ons land is niet verantwoordelijk voor de veroorzaakte schade. Dit in tegenstelling tot het merendeel van de Europese wettelijke systemen, waar wel wordt voorzien in een schadeclaim tegen de organisator van een illegale staking (bijvoorbeeld in Duitsland, het Verenigde Koninkrijk, Spanje, Zweden en Oostenrijk). In het Verenigde Koninkrijk, Zweden en Finland is het bedrag dat kan geclaimd worden wel begrensd.
De voorgeschreven omstandigheden waarbij men schade kan claimen, verschillen van land tot land. In Duitsland heeft een werkgever die schade lijdt bij een spontane staking recht op schadeclaims tegen de vakbond en de individuele werknemers. Ook in het Verenigde Koninkrijk kan een werkgever de vakbond vervolgen als die een industriële actie heeft ondernomen die niet in overeenstemming is met of ter bevordering van een geschil tussen werknemers en werkgevers. Volgens de Franse ‘case law’ kan een werkgever compensatie krijgen voor de opgelopen schade tijdens een staking, hetzij van een vakbond, hetzij van individuele werknemers.
Lockout
Ook voor de werkgevers staat er een sanctieoptie open, namelijk een lockout. In dit geval staat een werkgever de werknemers niet toe om aan het werk te gaan tijdens een industrieel dispuut. De Belgische rechtspraak aanvaardt de wettelijkheid van een lockout als het ‘legitieme verweer’ tegen een illegale staking. Maar die wetgeving is strikt en vereist dat een lockout voorafgegaan wordt door een verzoeningspoging. Een lockout mag dus enkel dienen als laatste uitweg. Als er een wettige lockout is, worden alle werknemerscontracten geschorst. Er moeten dan dus geen lonen worden uitbetaald voor zolang de lockout duurt.
Even wat uitleg over het belangrijkste bestaansrecht van de moderne vakbond: de tussenkomst in Werkloosheidsuitkeringen.
Het Belgische organisatiesysteem werkt via de vakbonden. Er zijn drie erkende vakbonden die als uitbetalinginstellingen fungeren: Liberale vakbond (ACLVB), de Christelijke vakbond (ACV) en, Socialistische vakbond (ABVV) die dus qua confessionaliteit innig verbonden zijn met hun partijsysteem. Ze werken echter niet voor je als je geen lidgeld betaalt. Dit lidgeld bedraagt tussen de 50 en 150 euro per jaar. Er is ook een Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen als je niet aangesloten bent bij een vakbond. De dienstverlening is gratis, maar die is vrijwel onbestaand. Je sluit je hierbij aan als je de partijpolitiek van de traditionele vakbonden niet ondersteunt.
Wie bij een vakbond is aangesloten kan over heel wat voordelen beschikken, zoals recht op stakingsvergoeding, juridische bijstand en lobbyen op de RVA. Bij een inkrimping van het personeelsbestand kan een vakbond eisen dat eerst de niet-georganiseerde werknemers worden ontslaan. Door de eenmaking van de Europese markt ontstaat namelijk een massale invoer van goedkope werkkrachten uit de armere landen. Deze hebben er geen boodschap aan om gesyndiceerd te zijn, en hun tussenpersonen zullen ze ook hun rechten niet vertellen. Die zijn uiteraard een doorn in het oog van de vakbonden omdat ze zich niet aan de regels van het spel hoeven te houden en aan minimum lonen willen werken.
De invloed van de vakbonden kunnen we zien aan de hand van twee extremen: de Amerikaanse en Belgische vakbonden.
Geen vakbonden in huis betekent voor bedrijfsleiders een enorm competitief voordeel. Want vakbonden eisen een degelijk salaris voor hun leden. Maar wacht even. Het draait om meer dan het loon alleen: zonder vakbonden heeft het management de handen vrij om werkafspraken te maken, vakantiedagen op te leggen, al dan niet veiligheidsvoorzieningen of ziekteverzekeringen te voorzien. Dit (Belgisch) vakbondsargument maakt evenwel geen indruk op de Amerikanen. Het is opvallend hoe weinig animo er was bij het wetsvoorstel van de Amerikaanse president om de sociale zekerheid op te krikken en de 35 miljoen armen een goedkope zorgverzekering te verstrekken. Het voorstel werd afgeketst door het Congres en is met stille trom afgevoerd. De (rechtse, rechtgeaarde, WASP Amerikanen vinden nu eenmaal dat staatsinmenging een aanslag is op hun persoonlijke vrijheid en daarvoor zijn ze bereid een groot deel van hun fellow-Americans bij het grof huisafval te zetten.
Dit is een fundamenteel verschil tussen het staatsgecontroleerde België en het vrijheidslievende Amerika.
Vakbonden in Amerikanen zijn geen succes. Vandaag is amper 12 procent van de werkende Amerikanen lid van een vakbond. In 1955 was dat nog 35 procent. De grootste Amerikaanse vakbond is de NEA, de National Education Association, die het openbaar onderwijs verenigt. Industriële vakbonden staan ver achter.
De syndicalisatiegraad in België bedraagt 73%, wat het hoogste percentage van de geïndustrialiseerde westerse landen. In vergelijking: in 2001 was 25% van de Nederlandse werknemers (in de leeftijd 15-64 jaar) aangesloten bij een vakbond ("georganiseerd"). In 2003 waren circa 1.927.000 personen lid van een Nederlandse vakvereniging. De grootste vakcentrale, de FNV, zag het ledental dalen van 1,233 miljoen in 1999 naar 1,171 miljoen in 2006. In 1994 had de FNV 1,111 miljoen leden. De invloed van de vakbonden daalt met de dag. Dit is ook zo in het buitenland. Blijkbaar is België dus de witte raaf.
Financiering van de vakbond.
Beperken we ons tot het ACV, de grootste vakbond (ik heb trouwens geen cijfers over het ABVV, dat daar kennelijk geen ruchtbaarheid wil aan geven).
Het ACV is ontstaan uit een symbiotische koppeling tussen kapitaal en kerk. Zij was het antwoord op het groeiende succes van de socialistische vakbond. Het ACV wilde de kerk in het midden houden (ook letterlijk) en kon daardoor rekenen op de katholieke solidariteit tussen werknemers en werkgevers en deze traditie is op heden blijven bestaan.
Eind 2007 telde het ACV ruim 1,6 miljoen leden - waarvan 1.120.000 in Vlaanderen. Het ACV is daarmee de grootste vakbond in België. Het ABVV geeft op zijn website aan 1.415.000 leden te hebben die dus elke maand een bijdrage betalen.
Die bijdrage schommelt tussen de 50 en 150 euro. Als we de gemiddelde bijdrage op de mediaan stellen (100 euro) krijgt het ACV jaarlijks 160 miljoen euro binnen en het ABVV 141 miljoen. Dat is een hoop geld waarvoor ze geen verantwoording hoeven af te leggen, en geen belastingen moeten over betalen.
Naast de ledenbijdragen – de belangrijkste inkomstenbron voor de syndicale activiteiten van het ACV - zijn er nog een aantal andere inkomstenbronnen: het ACV krijgt voor een aantal van haar vakbondsactiviteiten subsidies van de overheid (bijvoorbeeld voor permanente vorming en voor internationale samenwerking). Die subsidies blijven evenwel zeer beperkt, precies omdat ze geen boekhouding voeren en dus geen beroep kunnen doen op financiële tussenkomst. Niet dat dit nodig is.
Voor de administratieve activiteiten die het ACV vervult als uitbetalinginstelling van de werkloosheidsvergoedingen ontvangt het ACV van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) een beheersvergoeding. Het ACV had van oudsher werkloosheidskassen, gefinancierd door een eigen bijdrage van de leden. Toen die werkloosheidsverzekering veralgemeend werd en een onderdeel werd van de sociale zekerheid, bleef het ACV verder erkend als uitbetalinginstelling. Deze vergoeding verhoudt zich tot het aantal dossiers. Ook ABVV, ACLVB en de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen (HVW) krijgen zulke vergoeding in verhouding tot hun ‘marktaandeel’. Hoe groter de vakbond, hoe groter de vergoeding. In 2007 bleek dat de federale overheid 143,1 miljoen euro aan deze instellingen heeft betaald, een stijging van 3,7% ten opzichte van 2006. Een opvallend cijfer, want de werkloosheid daalde.
Als tegenprestatie moeten de vakbonden de RVA inzage in hun dossiers verlenen. Dit is zowat de enige overheidscontrole waaraan ze zich moeten ontwerpen. Dit in het kader van de strijd tegen onrechtmatige werkloosheidsuitkeringen. Uiteraard zijn de vakbonden niet geneigd om leden te verliezen die door de RVA geschrapt zijn en zullen ze die inzage zoveel mogelijk beperken.
Het ACV verwerft uiteraard ook inkomsten via haar beleggingen die het doet. Welke die beleggingen zijn, weten we niet. We veronderstellen dat ze nauw samenwerken met de bankwereld en geld naar fiscale paradijzen versluizen.
Het ACV heeft een bankrekening in Luxemburg waarop in 2000 25 miljoen euro stond. Recente cijfers zijn mij niet bekend. Deze ACV- rekening staat op naam van de voorzitter, de algemene secretaris en de nationale verantwoordelijke voor de financies. Iedereen mag een buitenlandse rekening hebben in de “vrije”wereld. Dus ook het ACV. Er zijn echter plichten: het bestaan van een dergelijke rekening moet worden meegedeeld en op de inkomsten dienen belastingen betaald te worden. Maar het ACV beroept zich op internationale wetgeving om te verantwoorden dat het om een "niet-openbare rekening" gaat waarop dus geen belastingen dienen te worden betaald aangezien "noch de vakbond als feitelijke vereniging noch de individuele leden belastingplichtig zijn voor de inkomsten voortkomend uit de verzamelde middelen van de weerstandkas”.
Waarom rekeningen hebben in andere landen, zoals het belastingparadijs Luxemburg? 
"Het onderbrengen van de stakingskas in een ander land", zo zegt het ACV, "is aangewezen ter beperking van de kwetsbaarheid, bijvoorbeeld tegen overheidsingrijpen (o.a. de blokkering van rekeningen) bij algemene staking of andere acties".
Hoeveel geld er in de centrale weerkas is, zo gaat het ACV verder, moet geheim blijven, want moesten de werkgevers weten hoeveel er in de kas is, zouden ze stakingen kunnen uitlokken, ten einde de vakbond financieel te breken.
Maar er is meer. De vakbonden, waaronder het ACV, hebben in ons land een zeer machtige positie. Zij maken deel uit van honderden instellingen en comités, zoals de Nationale Bank, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale Arbeidsraad, de Paritaire Comités, de arbeidsrechtbanken en hoven. De vakbonden hebben het monopolie bij het voordragen van de kandidaten arbeiders en bedienden voor de komende sociale verkiezingen. De grote vakbonden maken deel uit van de bekende socialistische en christelijke zuilen en beïnvloeden rechtstreeks de politiek in ons land.
De vakbonden beheren daarenboven samen met de werkgevers, de sociale zekerheid, goed voor zowat 35 miljard euro; ze sluiten Cao’s, die, wanneer ze algemeen verbindend worden verklaard, juridisch gelden voor alle werkgevers en werknemers van het hele land of van de betrokken bedrijfstak. Zij innen in de sectoren gelden, die paritair beheerd worden, in het kader van Fondsen voor Bestaanszekerheid. Ook die Fondsen van zijn een voorbeeld van non-transparantie.
De uitgaven.
Wat de uitgaven betreft, naast de organisatorische kosten, moet de vakbond ook haar stakende leden uitbetalen.
Als een groep werknemers beslist om te gaan staken, schorten ze automatisch hun arbeidsovereenkomst op. De werkgever is dus niet meer verplicht hun loon verder uit te betalen. Vanaf dat ogenblik kunnen enkel stakers die bij een vakbond zijn aangesloten, een stakingsvergoeding krijgen (in principe 20 euro per dag). Maar ze ontvangen die vergoeding alleen als de vakbond de staking vooraf heeft erkend (of uitgeroepen).
Stakers die niet bij een vakbond zijn aangesloten, krijgen in principe geen loon uitbetaald. Het spreekt vanzelf dat de meeste door de vakbonden erkende stakingen gesteund worden door de grote partners, ACV en ABVV omdat die het meeste geld ter beschikking hebben. Voor de andere vakbonden kunnen langdurige stakingen een zware tol op hun kas betekenen.
De nieuwe politieke cultuur.
Tegenover al die vakbondsmachtuitingen staat er geen democratische legitimering. De vakbonden hebben geen rechtspersoonlijkheid, hun leiders worden niet democratisch verkozen, de leden hebben geen inzage in de financiën van hun bond. Geen informatie aan eigen leden, daar waar de vakbonden met klem en terecht medebeheer en inspraak, met informatie, vragen aan de ondernemingen. Waarom zelf het voorbeeld niet geven?
Hier is heel wat te doen in het kader van de "nieuwe politieke cultuur": democratie, openheid en tolerantie.
Mag men verwijzen naar buitenlandse voorbeelden: in de VS en het Verenigd Koninkrijk worden de syndicale leiders democratisch verkozen en worden de financiën bekend gemaakt. De Amerikaanse vakbonden zijn fier op hun stakersfondsen en pakken daar gretig mee uit ter gelegenheid van de onderhandelingen. In Nederland maken de vakbonden een jaarrekening bekend.
In Frankrijk hebben de werkgevers en de grote ondernemingen beslist een open beleid te voeren in verband met hun beloning en deelname in de winst van het top management. Een goede stap vooruit.
Vakbonden hebben het meest succes in noodlijdende, slecht gemanagede en weinig doelmatig werkende sectoren. Daar waar de vakbonden weinig of geen toegang krijgen, blijken de sectoren gunstiger te evolueren. Het zijn voornamelijk kleinere bedrijven, de KMO’s, die de moderne economie op gang trekken. De bedrijven die geen rekening met vakbondinmenging moeten houden omdat hun personeelsbestand te gering is. België bekleedt op het gebied van innovatie in Europa de zesde plaats. Dat blijkt uit een rapport van de Europese Commissie. België liet in het rapport een gemiddelde groei van 2 procent optekenen in de vijfentwintig onderzochte innovatie-indicatoren. België voert samen met Groot-Brittannië het achtervolgende peloton aan op de innovatieve Europese economieën Zweden, Denemarken, Finland en Duitsland.
De vakbonden moeten eens goed beginnen nadenken over hun sociale rol. Willen ze de vooruitgang stremmen of de werknemers zelf laten beslissen hoeveel ze willen werken en verdienen?
De vakbonden proberen hun macht te behouden. Ze zullen die met hun enorme kapitaalmiddelen, hun verknochte achterban en hun stakingsdreigingen verdedigen, zelfs als dat de economie ernstige schade kan toebrengen. Er zal een Europese tussenkomst nodig zijn om aan deze wantoestand een einde te maken.

Je kunt deze bijdrage ook downloaden en afdrukken op ons forum

Geef je mening op het forum van de Hartenvreter.